OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Publication3

De echte overlevering in de Kerk is dynamisch en groeit.

de juiste uitleg van de overlevering
* bijbelse overlevering
* dynamische overlevering
* latente overlevering
* gerijpte overlevering

“Deze van de apostelen stammende overlevering vordert in de Kerk onder bijstand van de Heilige Geest. Want het inzicht zowel in de overgeleverde werkelijkheden als in de overgeleverde woorden groeit: door de beschouwing en de studie van de gelovigen die dit alles in hun hart bewaren (vgl. Lk 2,19 en 51), door het innerlijk begrip van de geestelijke dingen dat zij ervaren, door de verkondiging van hen die met de opvolging in het bisschopsambt de betrouwbare geestesgave van de waarheid ontvangen hebben. Want de Kerk streeft in de loop der eeuwen onafgebroken naar de volheid van de goddelijke waarheid, totdat in haar de woorden van God in vervulling gaan”

Dei Verbum. ‘Dogmatische constitutie over de goddelijke openbaring’ nr. 8, in Constituties en decreten van het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie,uitg. door Stichting Ark, 1986, p. 253. Zie het hele hoofdstuk hier.

De echte overlevering is niet statisch. Ze groeit, niet in de zin dat ze zich substantieel onderscheidt van de inspiratie die van Jezus Christus en de apostelen afkomstig is, maar in de zin dat vele van haar latente implicaties geleidelijk aan met de hulp van de Heilige Geest duidelijk worden.

“Inhoudelijk verandert het geloof niet met het voorbijgaan van de tijd, want wat men sindsdien geloofd heeft, was vanaf het begin vervat in het geloof van de oude kerkvaders. Wat de verklaring ervan echter betreft, is het aantal artikelen gegroeid want wij mensen van latere tijd geloven expliciet wat zij impliciet geloofden.” Thomas van Aquino (1225-74)

Summa Theologica, 2-2,2,7.

We gaan nu te werk in drie etappes: •

De leer ontwikkelt zich

Vanaf het eerste begin heeft de Kerk beseft dat het christelijk geloof niet statisch is, zelfs als dit vasthoudt aan een hard kernpunt van geopenbaarde waarheid. Er is een voortdurende ontwikkeling gaande. De klassieke patristische tekst over deze groei gaat terug op St. Vincentius van Lérins (434), die de nadruk legde op trouw aan wat we ontvangen hebben en aan de groei in begrip.

“Maar, zal men zeggen, staat de godsdienst dan niet open voor ontwikkeling in de Kerk van Christus? Juist wel, er moet ontwikkeling zijn, heel veel ontwikkeling. Wie zou zich zo tegen de mensheid en God keren om zich daartegen te verzetten? Maar er moet wel een voorbehoud gemaakt worden; deze ontwikkeling moet een echte ontwikkeling voor het geloof betekenen en geen verandering: het kenmerkende van ontwikkeling is dat ieder element groeit en toch zichzelf blijft, terwijl het kenmerkende van verandering is dat iets zich omvormt in iets anders. Geef daarom begrip, kennis en wijsheid de gelegenheid te groeien en grote vorderingen te maken, zowel bij individuen als bij de gemeenschap, zowel bij particuliere personen als bij de hele Kerk, volgens het stadium of de periode van de geschiedenis - op voorwaarde echter dat het gebeurt geheel in overeenstemming met de bijzondere aard daarvan, dat wil zeggen met dezelfde leer, dezelfde betekenis en dezelfde gedachte”. Vincentius van Lerins, Commonitorium, c. 23. De laatste regel is door het Eerste Vaticaans Concilie aangehaald in Sessie III, hfst.. 4 (Denzinger, 1800).

Ontwikkeling “met dezelfde betekenis en dezelfde gedachte” kan gewoon de ontvouwing zijn van een idee dat al aanwezig is. Bijvoorbeeld, het dogma van Nicea (dat de Zoon “één in wezen” met de Vader is, een uitdrukking die we niet in de Schrift aantreffen) heeft de inhoud verhelderd van een idee dat al expliciet in de Bijbel staat. Hetzelfde geldt voor het dogma van Christus’ werkelijke tegenwoordigheid in de eucharistie, waarvoor de term “transsubstantiatie” als zeer passend bestempeld is. Ontwikkeling “met dezelfde betekenis en dezelfde gedachte” kan ook de ontwikkeling zijn van de latente eigenschappen van een geaccepteerd idee of een geloofde werkelijkheid. Het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis, bijvoorbeeld, of van de lichamelijke Tenhemelopneming van Maria, de Moeder van God, kan nauwelijks de simpele verklaring genoemd worden van een formele openbaringsuitspraak die expliciet in de Schrift wordt aangetroffen. En toch bestaan er sterke banden met de openbaring door middel van wat de geloofsanalogie genoemd wordt.De Kerk beschikt over nog andere kennisbronnen naast geschreven documenten. Ze kent de ervaring van de christelijke realiteit als zodanig die voortdurend in haar aanwezig is, aangedreven en bestuurd door de Heilige Geest, wat soms ‘het evangelie in het hart’genoemd wordt. ‘Overlevering’, mits juist begrepen, is juist de plaats waar de synthese tot stand komt tussen het doorgeven in de loop van de geschiedenis en de huidige ervaring, die, aldus verenigd, in het heden en als voorbereiding op de toekomst, een diepe kennis voortbrengen van christelijke belevenis, die de tekst van geschreven documenten uit het verleden overstijgt. Overlevering is niet alleen maar geheugen, ze is actuele aanwezigheid en beleving. Ze is niet zonder meer behoudend, maar, tot op zekere hoogte, creatief. Na negentien eeuwen vertoont ze een zekere toegevoegde waarde met betrekking tot de oorspronkelijke uitspraken, tenminste voor zover we deze uit de documenten kunnen afleiden. Vanuit dit standpunt van ontwikkeling heeft de overlevering van het min of meer verre verleden de overlevering van nu voorbereid, en zal de huidige overlevering die van de min of meer verwijderde toekomst voorbereiden. In haar huidige rol als kanaal - want ze is niet inert maar leeft - is ze tot op zekere hoogte een bron. Door het lichaamsweefsels te voeden wordt het bloed in de aderen die het vervoeren, verjongd. De overlevering is de levende ader die bij het doorgeven van leven een vermeerdering ontvangt van hetzelfde leven dat ze mededeelt.

Maurice Blondel (1861 - 1949 ) geeft de volgende toelichting:

Bron: Maurice Blondel, ‘Histoire et Dogme: les lacunes de l‘exégèse moderne” in La Quinzaine 56 (januari en februari 1904), p. 145-167, 349-373, 433-458.

Yves Congar spreekt over de zich ontwikkelende overlevering in termen van ‘rente toegevoegd aan het kapitaal’, een vervollediging van onze kennis van Gods liefde, een ‘verrijking’ van het geloof.

“Op haar reis door de geschiedenis is de overlevering evenzeer ontwikkeling als geheugen en instandhouding. Op deze manier verwerft ze, als het ware, door de eeuwen heen, interest die toegevoegd wordt aan haar basiskapitaal. Hoewel ik leef op een tijdstip lang daarna, is wat ik ontvang nog altijd het apostolische erfgoed: ‘het geloof dat eens en voorgoed aan de heiligen werd overgeleverd’ (Judas 3), maar zoals het in en door de Kerk, in de gemeenschap van de heiligen, beleefd is. Het wordt ons gegeven, maar ons wordt ook gevraagd, met alle heiligen ‘te vatten wat de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte is en de liefde te kennen van Christus die alle kennis te boven gaat; dat u geheel vervuld wordt van de volheid van God’ (Efeziërs. 3, 18-19). Ik ben geroepen om het nu te beleven in een godsdienstig verbondenheid, in de vorm die Jezus Christus eens en voorgoed daaraan gegeven heeft, maar ook op de wijze waarop dat nu tot ons komt en in bepaalde opzichten verrijkt is, omdat het beleefd, overwogen en verkondigd is door generaties van gelovigen in wie de Geest van Pinksteren leefde die hen bezield heeft” (The Meaning of Tradition, Hawthorne, New York 1964, p. 114).

Een van de beste uiteenzettingen over de dynamische groei in de christelijke overlevering is geschreven John Henry Kardinaal Newman. Hier volgen enkele citaten uit zijn klassieke An Essay on the Development of Christian Doctrine (1845), gepubliceerd door Univ. of Notre Dame Press, 1989.

De dynamische overlevering is de hele waarheid en realiteit van Christus zoals die door de hele Kerk bewaard wordt.

Wat is de overlevering?

De Kerk is een realiteit die verandert, die tot andere vormen en gedaanten komt in overeenstemming met de veranderende eisen van plaats en tijd, en die, zoals de grote Franse dominicaanse theoloog, Yves Congar, heeft gezegd, de belichaming is van “de ene geloofsinhoud die varieert en zich manifesteert in verschillende culturele contexten.” Congar heeft er ook op gewezen dat deze historische benadering van het kerkbegrip is onderstreept door de nadrukkelijke wijze waarop het concilie de christelijke gemeenschap beschreven heeft als “volk van God” (Yves Congar, ”Church History as a Branch of Theology," Concilium 57 (1970), 87).

Wil overlevering deugdelijk zijn, dan moet ze “leven in de Kerk”. Dit betekent dat ze moet berusten op de sensus fidelium, een spontane bovennatuurlijke geloofszin van de gelovigen.

De ‘sensus fidelium’ als richtsnoer waarmee we een leerstuk in ontwikkeling herkennen

Dit onderdeel is gebaseerd op John E.Thiel, ‘Tradition and authoritative reasoning: a nonfoundationalist perspective’, Theological Studies 56 (1995) p. 627-51. Lees de volledige tekst hier.

Volgens het Tweede Vaticaans Concilie kan “het geheel van de gelovigen die de zalving van de Heilige ontvangen, in het geloof niet dwalen.” Dit onfeilbare geloof komt tot uiting in “de bovennatuurlijke geloofszin (sensus fidei) van het hele volk, wanneer het ... inzake geloof en zeden zijn algemene overeenstemming doet blijken.” (Lumen Gentium no. 12).

De sensus fidei is niet een op zichzelf bestaand geloof los van andere dimensies van kerkelijk leven en praktijk, het hiërarchische leerambt incluis. Sterker nog, de onfeilbare geloofszin wordt geleid door het leergezag en steunt voor het behoud van de waarheid op wat dit leergezag leert.

Maar, tegelijkertijd is de geloofszin het geloof van het “volk van God, ...vanaf de bisschoppen tot en met de laatste lekengelovigen,” (Lumen Gentium no. 12) en kan dus niet zonder meer herleid worden tot de leer van het leergezag.

Het feit dat een leerstuk van het kerkelijk leergezag niet in geloof en praktijk door een brede laag van de gelovigen aanvaard is, vormt een tamelijk betrouwbare, maar nog onvolledig, criterium om te beoordelen of een leerstuk op een bepaald ogenblik zich in een stadium van ingrijpende ontwikkeling bevindt.

Dit criterium heeft iets dubbelzinnigs. Sociologische onderzoekingen kunnen nuttig zijn om vast te stellen welke leer niet door de gelovigen aanvaard wordt, maar peilingen alleen kunnen niet bewijzen in welke mate een dogma aanvaard wordt. Bovendien hebben we dan nog de theologische kwestie hoe men de verwijzing van Lumen Gentium naar “het geheel van de gelovigen” dat de onfeilbaarheid bezit, verstaat.

Heeft deze zinsnede betrekking op de gedoopten, op praktiserende gelovigen of - meer op de directe verwijzing van het woord zelf afgaande - op degenen die werkelijk de onfeilbare geloofszin bezitten hoe moeilijk het ook moge zijn om de aard van dat geloof of het aantal personen vast te stellen? Deze vraag plaatst ons voor de intrinsieke moeilijkheden die gepaard gaan met het oordelen over de aanvaarding van de leer. Hoewel men, als men de aanvaarding van de leer van de Kerk nagaat, zich kan beroepen op gegevens van de sociale wetenschappen, moet men bij het oordelen of de leer door de gelovigen is aanvaard uiteindelijk toch vertrouwen op de geloofszin zelf, terwijl de gelovigen op hun beurt de legitimiteit van het oordeel afwegen. In ieder geval, als men de onfeilbare gelovigen definieert als degenen die alle leer van het leergezag in geloof en praktijk aanvaarden, stelt men de onfeilbaarheid van de Kerk ten onrechte gelijk met gehoorzaamheid aan het leergezag op elk specifiek ogenblik van de geschiedenis, en gaat men voorbij zowel aan de dynamiek van de ontwikkeling van de leer als aan het feit van de ingrijpende ontwikkeling in de overlevering. Het criterium van de instemming blijft dus dubbelzinnig, door zijn aard echter en niet door schuld.

Deze dubbelzinnigheid kan wat afgezwakt worden door andere criteria. Een tweede criterium om ingrijpende ontwikkeling op een bepaald ogenblik te beoordelen is namelijk dat het leergezag bij de aanbieding van zijn leer ook een beroep doet op theologische argumenten. De praktijk van het leergezag om de leer met theologische argumenten te ondersteunen of in feite de leer aan te bieden via theologische argumenten, kan men in de overlevering al vinden in de vijfde eeuw, in Leo I ‘s werk over de persoon van Christus (FN7), maar ook meer recentelijk in een encycliek van Paulus VI (Humanae Vitae) en een instructie van de Congregatie van de Geloofsleer (Inter Insigniores). Het feit dat het leergezag bij het aanbieden van authentieke leer gebruik maakt van argumenten is nog niet per se een indicatie van de niet-feilbare aard van de leer, zoals het voorbeeld van Leo’s boek, van grote invloed namelijk op het decreet van Chalcedon, bewijst. Maar het gebruik van theologische argumenten bij de leer die het leergezag voorhoudt, is een betrouwbare indicatie dat de aangeboden leer zich in een stadium van ontwikkeling bevindt, die zelf de behoefte aan argumentatie opwekt.

Er zijn drie redenen voor deze behoefte om te beargumenteren, die we respectievelijk kunnen noemen de door omstandigheden bepaalde, de logische en de retorische. Ten eerste, argumentatie wordt nodig geacht omdat de leer reageert op zich wijzigende culturele omstandigheden, waarin een simpele herhaling van de traditionele leer niet voldoende zou zijn. Argumentatie dient dan als een middel om verbinding tot stand te brengen tussen traditionele betekenis en nieuwe kwesties, problemen of situaties. Ten tweede, argumentatie wordt nodig geacht omdat voor deze aldus aangeboden leer een specifieke en overtuigende toepassing nodig is van de fundamentele geloofspunten van de overlevering, een toepassing die een benadering van de leer betekent die meer afgeleid is (minder strikt orthodox), hoewel niet noodzakelijk minder betrouwbaar. De logica (die hier de traditionele regels volgt!) dient het leergezag door de redelijkheid van de toepassing aan te tonen, door te laten zien hoe de conclusie van de leer haar geloofwaardigheid ontleent aan de major (de meer fundamentele waarheden) die op correcte wijze gemodificeerd is door haar minor (veranderende culturele omstandigheden). (FN9) Ten derde, de argumentatie wordt nodig geacht omdat er in de Kerk geen unanimiteit bestaat ten opzichte van de leer waar het om gaat. Argumentatie heeft dan het retorische doel van trachten te overtuigen.

Deze eerste twee criteria voor een ingrijpende ontwikkeling - de leer van het leergezag die naar men meent niet wijd en zijd door de gelovigen aanvaard is, en waarvan de leer door middel van theologische argumenten gepresenteerd wordt - bieden tezamen een goede aanwijzing om vast te kunnen stellen dat de leer zich kennelijk in een stadium van ontwikkeling bevindt.

Hier moet echter een derde criterium aan toegevoegd worden om een ontwikkeling te onderkennen die meer dan waarschijnlijk ingrijpend is. Dat criterium, zelf een aanvulling op de vorige twee, is dat de theologische argumentatie waardoor leer van de kerk ondersteund of doorgegeven wordt niet overtuigend overkomt bij een zeer groot deel van de katholieke theologen. Als het leergezag haar leer ondersteunt of doorgeeft door de logische aanpassing van meer fundamentele geloofspunten aan veranderende omstandigheden om de gelovigen die niet genegen zijn die leer aan te nemen te overtuigen, en als die argumentatie een zeer groot deel van diegenen in de Kerk die goed op de hoogte zijn van de overlevering waarop ze zich beroept en die in staat zijn de levensvatbaarheid van de beredeneerde toepassing op de huidige omstandigheden te taxeren, dan is het veel waarschijnlijker dat zo’n leer zich ingrijpend aan het ontwikkelen is dan als zo’n situatie zich niet voordeed.

Een ingrijpende ontwikkeling zou in zo’n geval in de hand gewerkt kunnen worden naar gelang theologen kritiek zouden uiten op het gangbare onderricht en zouden laten zien hoe en waarom de naar voren gebrachte leerstellige argumenten het onderricht niet rechtvaardigden, of alternatieve argumenten zouden aandragen die een andere versie naar voren brengen die verenigbaar is met het traditionele geloof en het huidige geloof van velen in de Kerk.

Het principe toegepast op INTER INSIGNIORES

Inter insigniores, die een uiteenzetting van de redenen geeft voor de eeuwenoude praktijk van de Kerk om alleen mannen tot de priesterwijding toe te laten, ... schijnt onder de gelovigen niet met grote instemming ontvangen te zijn. Sociologisch bewijsmateriaal laat zien dat de aanvaardbaarheid van de wijding van vrouwen onder katholieken in feite in de jaren sinds de publicatie van het document aanzienlijk is toegenomen. Bij voorbeeld (typisch voor Noord-Amerika en West-Europa), een opiniepeiling in 1977 door Gallup uitgevoerd constateerde dat 41% van de Noord-Amerikaanse katholieken voor de wijding van vrouwen was, welke statistiek in 1993 toegenomen was tot 63%.

Een opiniepeiling van Gallup in 1993 laat zien dat 33% van de katholieke ondervraagden “het er sterk mee eens was” en 30% dat zij er “tot op zekere hoogte mee eens waren” dat het “goed zou zijn als vrouwen tot de priesterwijding werden toegelaten” (The Gallup Poll: Public Opinion 1993 144). Een peiling in 1994 uitgevoerd door de New York Times/CBS News constateerde dat 59% van de Amerikaanse katholieken voor de priesterwijding van vrouwen was (The New York Times [1 juni 1994] B8).

Zoals eerder opgemerkt moet men voorzichtig zijn met het herleiden van de sensus fidei tot de uitkomsten van sociologen en dubbel voorzichtig om de overtuiging van katholieken in enkele landen te laten gelden voor die van de hele Kerk. Toch is deze groei van de overtuiging dat vrouwen gewijd kunnen worden treffend, en voldoende om te kunnen oordelen dat deze leer van de Kerk niet met grote instemming door de gelovigen ontvangen is. De meest waarschijnlijke verklaringen voor deze toename zijn een groeiend besef van het onrecht dat vrouwen in de traditionele maatschappijen wordt aangedaan, de kracht van de beweging voor gelijke rechten voor vrouwen, en de daaruit voortkomende uitbreiding van de rol van vrouwen in sociale kaders en taken die mannen in de regel waren voorbehouden. We kunnen echter niet geheel buiten beschouwing laten de invloed die de argumentatie van het document zelf in dit tijdsbestek gehad heeft op het toenemend gebrek aan instemming met de leer onder de gelovigen.

We vinden in Inter insigniores alle drie de redenen - door omstandigheden bepaald, logisch en retorisch - voor het gebruik van argumentatie bij de afkondiging van de leer van het kerkelijk leergezag. De priesterwijding van uitsluitend mannen is per slot van rekening een praktijk die in een of andere vorm teruggaat tot de Kerk van de eerste eeuw. De behoefte die men voelde om zo’n oude praktijk te rechtvaardigen komt voort uit veranderende omstandigheden waarin men zich verplicht voelt van argumentatie gebruik te maken om degenen die de traditie aanvechten te weerleggen. De eerste alinea’s van het document identificeren die veranderende omstandigheden als de moderne erkenning van de volledige gelijkwaardigheid van de vrouw, de ruimere deelname van vrouwen aan het apostolaat van de Kerk, de onvoorwaardelijke toelating van vrouwen tot de pastorale bediening in enkele protestante kerken, en pleidooien van katholieke theologen voor de priesterwijding van vrouwen. In Inter insignores wordt logische bemiddeling nodig geacht om de meest fundamentele geloofspunten van de overlevering toe te passen op deze veranderende omstandigheden.

Er komen verscheidene ondergeschikte argumenten in het document voor die dienen om pleidooien voor de wijding van vrouwen gebaseerd op de Schrift en de geschiedenis, te weerleggen. De uiteenzetting merkt, bijvoorbeeld, terloops op dat de “onmiskenbare neerslag van onbillijke vooroordelen over het vrouwelijke geslacht” in de geschriften van de kerkvaders nagenoeg geen invloed gehad hebben op hun pastorale praktijk en op hun geestelijke leiding. Het argument “vanuit de oorsprong” merkt vervolgens op dat “Jezus onder de twaalf geen vrouw opgenomen heeft” hoewel zijn omgang met vrouwen zich niet aanpaste aan, ja zelfs “bewust en moedig afstand nam van” de gewoonten van zijn tijd.. Bovendien, de apostelen dachten niet aan vrouwelijke kandidaten om de twaalf in de kerk van Pinksteren aan te vullen, hoewel Maria zelf een bijzondere plaats in hun kring innam. En ook Paulus heeft er niet aan gedacht om vrouwen de wijding toe te dienen.

Hoe belangrijk deze argumenten “vanuit de oorsprong” in het document ook zijn om de continuïteit van de kerkelijke praktijk tegen de tegenargumenten voor verandering te verdedigen, ze zijn ondergeschikt aan wat wij zullen noemen het argument “vanuit de vertegenwoordiging”. Hoewel Inter insigniores zijn redenering “vanuit de vertegenwoordiging” voorstelt als een poging om “de leer door een geloofsanalogie te verhelderen” en niet om “een overtuigend bewijs te leveren”, schijnt de manier waarop de premissen leiden tot de conclusie toch een elementaire deductie in te houden. De hoofdpremisse van de redering is de “constante leer van de Kerk” dat “de bisschop of priester bij de uitoefening van hun ambt niet in eigen persoon handelen, maar Christus vertegenwoordigen, die door hem handelt...” In het ambt, dus, handelt de priester “niet alleen in de kracht die hem door Christus wordt medegedeeld, maar in de persoon van Christus”. Deze hoofdpremisse wordt vergeleken met de minorterm dat het Woord vlees geworden is “volgens het mannelijke geslacht”, een feit dat geen voortreffelijkheid van de man boven de vrouw met zich meebrengt, maar toch overeenstemt met het heilsplan zoals het door God is geopenbaard en symbolisch belangrijk voor de economie van de openbaring.

Door logische bemiddeling komen we tot de conclusie van de leer dat vrouwen geen priester kunnen zijn omdat ze als vrouw niet ambtelijk in de persoon van Christus zouden kunnen optreden, daar de verlosser man was. De minorterm van deze redenering stelt de contemporaine culturele verschuivingen aan de orde waardoor feministen met hun eigen gevoeligheden er niet langer van uitgaan dat metafysische begrippen zoals persoon intrinsiek mannelijk zijn of nadrukkelijk beweren dat dergelijke begrippen de sociale (en kerkelijke) vertekening alleen wegnemen als ze verstaan worden op een gender-inclusieve wijze. Het retorische element van de redenering laat zien dat men zich bewust is wat deze gevoeligheden eigenlijk willen en dat het nodig is om hen die het traditionele geloof ongeloofwaardig vinden, te overtuigen - en men gaat in het document zelfs zo ver dat men vooruitloopt op de tegenargumenten tegen de centrale plaats die aan het man-zijn van Christus gegeven wordt en die bij voorbaat afwijst. Net zoals bij Humanae vitae zijn er zoveel theologen die de argumentatie van Inter insigniores twijfelachtig vinden dat het voor zeer velen van hen overbodig werk is om het gebrek aan overtuigingskracht aan te tonen.

Beide leerstukken, Humanae Vitae en Inter Insigniores, blijken te voldoen aan ons criterium voor ingrijpend veranderende leer, allereerst omdat ze niet met grote instemming door de gelovigen aangenomen schijnen te zijn, en ten tweede, maar wel belangrijk, omdat zij hun leer naar voren brengen door middel van een argumentatie die niet overtuigend gebleken is voor degenen in de Kerk die zich op professionele wijze bezig houden met het werk om verstand en geloof bij elkaar te brengen.

By wijze van afronding:

“De veranderingen in de kerkelijke leer die feitelijk in de loop van de geschiedenis hebben plaatsgevonden laten zien dat een overlevering in stand kon blijven totdat ontwikkelingen in de menselijke wetenschap of cultuur de kerk dwongen om een en ander in een nieuw licht te bekijken. Door haar overlevering eerlijk in dit nieuwe licht opnieuw te onderzoeken, is de Kerk soms tot het inzicht gekomen dat de redenen om aan haar eerdere positie vast te houden helemaal niet afdoende waren”.

“Het valt niet te ontkennen dat vele van de redenen die in het verleden aangevoerd werden om de uitsluiting van vrouwen van het priesterschap te rechtvaardigen zo zijn dat we ons zouden generen om die nu te gebruiken. Het is echter wel zo dat er in de recente documenten van de Heilige Stoel betere redenen naar voren gebracht zijn dan vroeger. Het blijft voor mij echter een vraag of het duidelijk vaststaat dat de bisschoppen van de katholieke Kerk even overtuigd zijn door deze redenen als paus Johannes Paulus dat blijkbaar is, en of, bij de uitoefening van hun eigenlijke rol als rechter en leraar van het geloof, zij eenstemmig geweest zijn als zij leren dat de uitsluiting van vrouwen van wijding tot priester een goddelijk geopenbaarde waarheid is waar alle katholieken verplicht zijn definitieve mee in te stemmen.

FRANCIS A. SULLIVAN, ‘Guideposts from Catholic tradition . Infallibility doctrine invoked in statement against ordination by Congregation for the Doctrine of the Faith’, America 173 (9 dec. 1995) p. 5-6. Vóór zijn pensionering in juni 1992 is Sullivan 36 jaar lang hoogleraar in de ecclesiologie geweest aan de Pauselijke Gregoriaanse Universiteit in Rome. Hij is de auteur van Magisterium: Teaching Authority in the Catholic Church (Paulist, 1983) en Creative Fidelity: Weighing and Interpreting Church Documents (Paulist, 1996).

Besluit

De overlevering in de Kerk is niet statisch. Ze groeit. Ze wordt verrijkt door nieuwe inzichten in de waarheid en nieuwe spirituele ervaringen. De overlevering verwerpt op deze manier onjuiste interpretaties en ontdekt expliciet wat altijd al impliciet tot haar geloofsschat behoord heeft. Deze groei in begrip wordt voortgezet door de blijvende werkzaamheid van de Heilige Geest in de Kerk.

John Wijngaards

Vertaling: Theo van Schaick fic

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten

Vermeld a.u.b. dat dit documentontleend is aan www.womenpriests.org!


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research