|
|
|---|
de juiste uitleg van de
overlevering

* bijbelse overlevering
* dynamische overlevering
* latente overlevering
* gerijpte overlevering
Deze van de apostelen stammende overlevering vordert in de Kerk onder
bijstand van de Heilige Geest. Want het inzicht zowel in de overgeleverde
werkelijkheden als in de overgeleverde woorden groeit: door de beschouwing en
de studie van de gelovigen die dit alles in hun hart bewaren (vgl. Lk 2,19 en
51), door het innerlijk begrip van de geestelijke dingen dat zij ervaren, door
de verkondiging van hen die met de opvolging in het bisschopsambt de
betrouwbare geestesgave van de waarheid ontvangen hebben. Want de Kerk streeft
in de loop der eeuwen onafgebroken naar de volheid van de goddelijke waarheid,
totdat in haar de woorden van God in vervulling gaan
Dei Verbum. Dogmatische constitutie over de
goddelijke openbaring nr. 8, in Constituties en decreten van het
Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie,uitg. door Stichting Ark, 1986, p.
253. Zie het hele hoofdstuk hier.
De
echte overlevering is niet statisch. Ze groeit, niet in de zin dat ze zich
substantieel onderscheidt van de inspiratie die van Jezus Christus en de
apostelen afkomstig is, maar in de zin dat vele van haar latente implicaties
geleidelijk aan met de hulp van de Heilige Geest duidelijk worden.
Inhoudelijk verandert het geloof niet met het voorbijgaan van de
tijd, want wat men sindsdien geloofd heeft, was vanaf het begin vervat in het
geloof van de oude kerkvaders. Wat de verklaring ervan echter betreft, is het
aantal artikelen gegroeid want wij mensen van latere tijd geloven expliciet wat
zij impliciet geloofden. Thomas van Aquino (1225-74)
Summa Theologica, 2-2,2,7.
We
gaan nu te werk in drie etappes:
- De leer ontwikkelt zich.
- De dynamische overlevering is de hele waarheid en
werkelijkheid van Christus zoals die door de hele Kerk bewaard wordt.
- De sensus fidelium is een richtsnoer
waarmee we een leerstuk in ontwikkeling herkennen.
De leer ontwikkelt zich
Vanaf
het eerste begin heeft de Kerk beseft dat het christelijk geloof niet statisch
is, zelfs als dit vasthoudt aan een hard kernpunt van geopenbaarde waarheid. Er
is een voortdurende ontwikkeling gaande. De klassieke patristische tekst over
deze groei gaat terug op St. Vincentius van Lérins (434), die de nadruk
legde op trouw aan wat we ontvangen hebben en aan de groei in begrip.
Maar, zal men zeggen, staat de godsdienst dan niet open voor ontwikkeling
in de Kerk van Christus? Juist wel, er moet ontwikkeling zijn, heel veel
ontwikkeling. Wie zou zich zo tegen de mensheid en God keren om zich daartegen
te verzetten? Maar er moet wel een voorbehoud gemaakt worden; deze ontwikkeling
moet een echte ontwikkeling voor het geloof betekenen en geen verandering: het
kenmerkende van ontwikkeling is dat ieder element groeit en toch zichzelf
blijft, terwijl het kenmerkende van verandering is dat iets zich omvormt in
iets anders. Geef daarom begrip, kennis en wijsheid de gelegenheid te groeien
en grote vorderingen te maken, zowel bij individuen als bij de gemeenschap,
zowel bij particuliere personen als bij de hele Kerk, volgens het stadium of de
periode van de geschiedenis - op voorwaarde echter dat het gebeurt geheel in
overeenstemming met de bijzondere aard daarvan, dat wil zeggen met dezelfde
leer, dezelfde betekenis en dezelfde gedachte. Vincentius van Lerins,
Commonitorium, c. 23. De laatste regel is door het Eerste Vaticaans
Concilie aangehaald in Sessie III, hfst.. 4 (Denzinger, 1800).
Ontwikkeling met dezelfde betekenis en dezelfde gedachte kan gewoon
de ontvouwing zijn van een idee dat al aanwezig is. Bijvoorbeeld, het dogma van
Nicea (dat de Zoon één in wezen met de Vader is, een
uitdrukking die we niet in de Schrift aantreffen) heeft de inhoud verhelderd
van een idee dat al expliciet in de Bijbel staat. Hetzelfde geldt voor het
dogma van Christus werkelijke tegenwoordigheid in de eucharistie,
waarvoor de term transsubstantiatie als zeer passend bestempeld is.
Ontwikkeling met dezelfde betekenis en dezelfde gedachte kan ook de
ontwikkeling zijn van de latente
eigenschappen van een geaccepteerd idee of een geloofde werkelijkheid. Het
dogma van de Onbevlekte Ontvangenis, bijvoorbeeld, of van de lichamelijke
Tenhemelopneming van Maria, de Moeder van God, kan nauwelijks de simpele
verklaring genoemd worden van een formele openbaringsuitspraak die expliciet in
de Schrift wordt aangetroffen. En toch bestaan er sterke banden met de
openbaring door middel van wat de geloofsanalogie genoemd wordt.De Kerk
beschikt over nog andere kennisbronnen naast geschreven documenten. Ze kent de
ervaring van de christelijke realiteit als zodanig die voortdurend in haar
aanwezig is, aangedreven en bestuurd door de Heilige Geest, wat soms
het evangelie in het
hartgenoemd wordt. Overlevering, mits juist begrepen, is
juist de plaats waar de synthese tot stand komt tussen het doorgeven in de loop
van de geschiedenis en de huidige ervaring, die, aldus verenigd, in het heden
en als voorbereiding op de toekomst, een diepe kennis voortbrengen van
christelijke belevenis, die de tekst van geschreven documenten uit het verleden
overstijgt. Overlevering is niet alleen maar geheugen, ze is actuele
aanwezigheid en beleving. Ze is niet zonder meer behoudend, maar, tot op zekere
hoogte, creatief. Na negentien eeuwen vertoont ze een zekere toegevoegde waarde
met betrekking tot de oorspronkelijke uitspraken, tenminste voor zover we deze
uit de documenten kunnen afleiden. Vanuit dit standpunt van ontwikkeling heeft
de overlevering van het min of meer verre verleden de overlevering van nu
voorbereid, en zal de huidige overlevering die van de min of meer verwijderde
toekomst voorbereiden. In haar huidige rol als kanaal - want ze is niet inert
maar leeft - is ze tot op zekere hoogte een bron. Door het lichaamsweefsels te
voeden wordt het bloed in de aderen die het vervoeren, verjongd. De
overlevering is de levende ader die bij het doorgeven van leven een
vermeerdering ontvangt van hetzelfde leven dat ze mededeelt.
Maurice Blondel (1861 - 1949 ) geeft de volgende
toelichting:
- De overlevering is niet maar een mondeling surrogaat voor de
geschreven leer; ze behoudt haar raison dêtre zelfs in zaken
waarin de Schrift gesproken heeft; ze is het zich ontwikkelende begrip van de
rijkdom die objectief vanaf het begin het bezit uitmaakte van het christendom,
die in een ware christelijke geest gevoeld en ervaren werd, en door
overpeinzing omgezet werd van iets dat impliciet beleefd werd tot iets
dat expliciet gekend wordt.
- De overlevering brengt in ons bewustzijn elementen naar boven
die daarvoor opgesloten zaten in de diepte van het geloof en de beleving
daarvan, zonder onder woorden gebracht, toegelicht en beredeneerd te zijn. Deze
kracht, die bewaart en beschermt, onderricht dus ook en ontwikkelt zich verder.
Liefdevol terugblikkend naar het verleden, waar haar schat bewaard ligt,
beweegt de overlevering zich naar de toekomst toe, waar haar overwinning en
haar heerlijkheid liggen..
- Zelfs in haar ontdekkingen heeft zij het bescheiden gevoel van
gelovig te herwinnen wat ze al bezit. Ze heeft geen nieuwigheid nodig daar ze
haar God en haar alles bezit: het is echter haar onveranderlijke taak ons
hernieuwde leer te verschaffen, want ze vormt iets dat impliciet leefde om tot
iets dat expliciet gekend wordt.
- Al wie op christelijke wijze leeft en denkt is feitelijk aan
het werk voor de overlevering, of het nu de heilige is die de tegenwoordigheid
van Jezus onder ons voortzet, of de geleerde die terugkeert tot de zuivere
bronnen van de openbaring, of de filosoof die bezig is de weg naar de toekomst
open te leggen en het voortdurende werk van de Geest van vernieuwing veilig te
stellen. En deze activiteit, waar de verschillende leden aan meewerken, draagt
bij tot de gezondheid van het lichaam, onder leiding van het hoofd dat, met een
geweten dat goddelijke bijstand ontvangt, als enige opdracht geeft en de
voortgang stimuleert.
Bron: Maurice Blondel, Histoire
et Dogme: les lacunes de lexégèse moderne in La
Quinzaine 56 (januari en februari 1904), p. 145-167, 349-373, 433-458.
Yves
Congar spreekt over de zich ontwikkelende overlevering in termen van
rente toegevoegd aan het kapitaal, een vervollediging van onze
kennis van Gods liefde, een verrijking van het geloof.
Op haar reis door de geschiedenis is de overlevering evenzeer
ontwikkeling als geheugen en instandhouding. Op deze manier verwerft ze, als
het ware, door de eeuwen heen, interest die toegevoegd wordt aan haar
basiskapitaal. Hoewel ik leef op een tijdstip lang daarna, is wat ik ontvang
nog altijd het apostolische erfgoed: het geloof dat eens en voorgoed aan
de heiligen werd overgeleverd (Judas 3), maar zoals het in en door de
Kerk, in de gemeenschap van de heiligen, beleefd is. Het wordt ons gegeven,
maar ons wordt ook gevraagd, met alle heiligen te vatten wat de lengte en
de breedte, de hoogte en de diepte is en de liefde te kennen van Christus die
alle kennis te boven gaat; dat u geheel vervuld wordt van de volheid van
God (Efeziërs. 3, 18-19). Ik ben geroepen om het nu te beleven in
een godsdienstig verbondenheid, in de vorm die Jezus Christus eens en voorgoed
daaraan gegeven heeft, maar ook op de wijze waarop dat nu tot ons komt en in
bepaalde
opzichten verrijkt is, omdat het beleefd, overwogen en verkondigd is door
generaties van gelovigen in wie de Geest van Pinksteren leefde die hen bezield
heeft (The
Meaning of Tradition, Hawthorne, New York 1964, p. 114).
Een
van de beste uiteenzettingen over de dynamische groei in de christelijke
overlevering is geschreven John Henry Kardinaal Newman. Hier volgen enkele
citaten uit zijn klassieke An Essay on the Development of Christian
Doctrine
(1845), gepubliceerd door Univ. of Notre Dame Press, 1989.
- Hoewel we moeten toegeven dat zich enkele grote afwijkingen in
de leer hebben voorgedaan in de loop van de 1800 jaar dat die verkondigd wordt,
toch zullen we bij navorsing bemerken dat er iets wetmatigs in zit en zij een
harmonie en een bepaalde strekking, en een analogie met Bijbelse openbaringen
vertonen, die samen voor die afwijkingen pleiten, en getuigen van een wakende
Voorzienigheid en een groots Plan. (p. vii-vii).
- Principes vormen een betere toets voor ketterij dan dogma.
Ketters zijn trouw aan hun principes, maar gaan heen en weer, tussen het een en
het ander, in hun opvatting; zeer tegenovergestelde dogmas kunnen immers
illustraties zijn van hetzelfde principe... (p.181-182. Deel 2, hfst. 5,
sectie 2, nr. 3).
- Het wordt nodig ... om bepaalde kenmerken van betrouwbare
ontwikkeling aan te geven ... die als een toets kunnen dienen om deze
ontwikkelingen te onderscheiden van verbastering... Ik waag het hier Zeven
Kenmerken op te schrijven ... als volgt: - Er is geen sprake van verbastering
als de ontwikkeling vasthoudt aan een en hetzelfde model, dezelfde principes,
dezelfde structuur; als de oorsprong anticipeert op de latere stadia, en de
latere gedaanten de vroegere dekken en bevestigen; als ze het vermogen tot
assimilatie en herleving heeft, en aldoor een krachtige werking bezit.
(p.170-171. Deel 2, hoofdstuk 5, nr. 2 en 4).
De dynamische overlevering is de
hele waarheid en realiteit van Christus zoals die door de hele Kerk bewaard
wordt.
Wat
is de overlevering?
- Ze is het besef van wie we als Gods volk zijn, het besef van wat God
ons geopenbaard heeft, en dat we vinden in het leven, de liturgie en de leer
van de christelijke gemeenschap die de Kerk is, alle eeuwen door en over de
hele wereld.
- De hele waarheid en realiteit zoals die oorspronkelijk door
Christus en de Geest aan de apostelen is medegedeeld, en die door de hele Kerk
bewaard en onophoudelijk gepresenteerd wordt in de volheid van haar vitale
bestaan en werkzaamheid.(Walter J. Burghardt, Christian Tradition, een
Videocassette van de Paulisten (New York, 1984).
- De normatieve overlevering is ... een levende kracht wier
concrete manifestaties ... eventueel kunnen veranderen (Robert Taft,
The Frequency of the Eucharist throughout History, Concilium 152
(1982), 21).
- De
overlevering wordt door het Tweede Vaticaans Concilie gezien als iets
dynamisch, niet als iets statisch, een besef dat men ontdekt in het zich verder
ontplooiende leven, gedachte, gebed en liturgie van de christelijke
gemeenschap. Dit sluit in groei en ontwikkeling en verandering. De katholieken
kunnen niet langer de uitspraak aanvaarden van Vincentius van Lerins uit de
vijfde eeuw: katholiek is dat wat overal, en altijd en door allen geloofd
is. (Commonitorium II: 3). Deze filosofisch
substantialistische denkwijze kan niet langer aanvaard worden. Ze
heeft een beeld van de Kerk doen ontstaan als onveranderlijk, en heeft alleen
bijkomstige, uiterlijke veranderingen in de loop van de geschiedenis van de
Kerk erkend. Overlevering, zoals hier begrepen, was een soort
mysterieuze schat van propositionele stellingen in afwachting van een
betrouwbare formulering. Dat ziet men tegenwoordig anders. (James
Hennesey, Searching for the Tradition, in Catholic
Southwest,
1992). Lees het volledige artikel hier.
De
Kerk is een realiteit die verandert, die tot andere vormen en gedaanten komt in
overeenstemming met de veranderende eisen van plaats en tijd, en die, zoals de
grote Franse dominicaanse theoloog, Yves Congar, heeft gezegd, de belichaming
is van de ene geloofsinhoud die varieert en zich manifesteert in
verschillende culturele contexten. Congar heeft er ook op gewezen dat
deze historische benadering van het kerkbegrip is onderstreept door de
nadrukkelijke wijze waarop het concilie de christelijke gemeenschap beschreven
heeft als volk van God (Yves Congar, Church History as a
Branch of Theology," Concilium 57 (1970), 87).
Wil
overlevering deugdelijk zijn, dan moet ze leven in de Kerk. Dit
betekent dat ze moet berusten op de sensus fidelium, een spontane
bovennatuurlijke geloofszin van de gelovigen.
De sensus fidelium als
richtsnoer waarmee we een leerstuk in ontwikkeling herkennen
Dit
onderdeel is gebaseerd op John E.Thiel, Tradition and authoritative
reasoning: a nonfoundationalist perspective, Theological Studies
56 (1995) p. 627-51. Lees de volledige tekst
hier.
Volgens het Tweede Vaticaans Concilie kan het geheel van de gelovigen die
de zalving van de Heilige ontvangen, in het geloof niet dwalen. Dit
onfeilbare geloof komt tot uiting in de bovennatuurlijke geloofszin
(sensus fidei) van het hele volk, wanneer het ... inzake geloof en zeden
zijn algemene overeenstemming doet blijken. (Lumen Gentium no.
12).
De
sensus fidei is niet een op zichzelf bestaand geloof los van andere
dimensies van kerkelijk leven en praktijk, het hiërarchische leerambt
incluis. Sterker nog, de onfeilbare geloofszin wordt geleid door het leergezag
en steunt voor het behoud van de waarheid op wat dit leergezag leert.
Maar,
tegelijkertijd is de geloofszin het geloof van het volk van God, ...vanaf
de bisschoppen tot en met de laatste lekengelovigen, (Lumen
Gentium no. 12) en kan dus niet zonder meer herleid worden tot de leer van
het leergezag.
Het
feit dat een leerstuk van het kerkelijk leergezag niet in geloof en praktijk
door een brede laag van de gelovigen aanvaard is, vormt een tamelijk
betrouwbare, maar nog onvolledig, criterium om te beoordelen of een leerstuk op
een bepaald ogenblik zich in een stadium van ingrijpende ontwikkeling
bevindt.
Dit
criterium heeft iets dubbelzinnigs. Sociologische onderzoekingen kunnen nuttig
zijn om vast te stellen welke leer niet door de gelovigen aanvaard wordt, maar
peilingen alleen kunnen niet bewijzen in welke mate een dogma aanvaard wordt.
Bovendien hebben we dan nog de theologische kwestie hoe men de verwijzing van
Lumen Gentium naar het geheel van de gelovigen dat de
onfeilbaarheid bezit, verstaat.
Heeft deze zinsnede betrekking op de gedoopten, op praktiserende
gelovigen of - meer op de directe verwijzing van het woord zelf afgaande - op
degenen die werkelijk de onfeilbare geloofszin bezitten hoe moeilijk het ook
moge zijn om de aard van dat geloof of het aantal personen vast te stellen?
Deze vraag plaatst ons voor de intrinsieke moeilijkheden die gepaard gaan met
het oordelen over de aanvaarding van de leer. Hoewel men, als men de
aanvaarding van de leer van de Kerk nagaat, zich kan beroepen op gegevens van
de sociale wetenschappen, moet men bij het oordelen of de leer door de
gelovigen is aanvaard uiteindelijk toch vertrouwen op de geloofszin zelf,
terwijl de gelovigen op hun beurt de legitimiteit van het oordeel afwegen. In
ieder geval, als men de onfeilbare gelovigen definieert als degenen die alle
leer van het leergezag in geloof en praktijk aanvaarden, stelt men de
onfeilbaarheid van de Kerk ten onrechte gelijk met gehoorzaamheid aan het
leergezag op elk specifiek ogenblik van de geschiedenis, en gaat men voorbij
zowel aan de dynamiek van de ontwikkeling van de leer als aan het feit van de
ingrijpende ontwikkeling in de overlevering. Het criterium van de instemming
blijft dus dubbelzinnig, door zijn aard echter en niet door
schuld.
Deze
dubbelzinnigheid kan wat afgezwakt worden door andere criteria. Een tweede
criterium om ingrijpende ontwikkeling op een bepaald ogenblik te beoordelen is
namelijk dat het leergezag bij de aanbieding van zijn leer ook een beroep
doet op theologische argumenten. De praktijk van het leergezag om de leer
met theologische argumenten te ondersteunen of in feite de leer aan te bieden
via theologische argumenten, kan men in de overlevering al vinden in de vijfde
eeuw, in Leo I s werk over de persoon van Christus (FN7), maar ook meer
recentelijk in een encycliek van Paulus VI (Humanae Vitae) en een
instructie van de Congregatie van de Geloofsleer (Inter Insigniores).
Het feit dat het leergezag bij het aanbieden van authentieke leer gebruik maakt
van argumenten is nog niet per se een indicatie van de niet-feilbare aard van
de leer, zoals het voorbeeld van Leos boek, van grote invloed namelijk op
het decreet van Chalcedon, bewijst. Maar het gebruik van theologische
argumenten bij de leer die het leergezag voorhoudt, is een betrouwbare
indicatie dat de aangeboden leer zich in een stadium van ontwikkeling bevindt,
die zelf de behoefte aan argumentatie opwekt.
Er
zijn drie redenen voor deze behoefte om te beargumenteren, die we
respectievelijk kunnen noemen de door omstandigheden bepaalde, de logische en
de retorische. Ten eerste, argumentatie wordt nodig geacht omdat de leer
reageert op zich wijzigende culturele omstandigheden, waarin een simpele
herhaling van de traditionele leer niet voldoende zou zijn. Argumentatie dient
dan als een middel om verbinding tot stand te brengen tussen traditionele
betekenis en nieuwe kwesties, problemen of situaties. Ten tweede, argumentatie
wordt nodig geacht omdat voor deze aldus aangeboden leer een specifieke en
overtuigende toepassing nodig is van de fundamentele geloofspunten van de
overlevering, een toepassing die een benadering van de leer betekent die meer
afgeleid is (minder strikt orthodox), hoewel niet noodzakelijk minder
betrouwbaar. De logica (die hier de traditionele regels volgt!) dient het
leergezag door de redelijkheid van de toepassing aan te tonen, door te laten
zien hoe de conclusie van de leer haar geloofwaardigheid ontleent aan de major
(de meer fundamentele waarheden) die op correcte wijze gemodificeerd is door
haar minor (veranderende culturele omstandigheden). (FN9) Ten derde, de
argumentatie wordt nodig geacht omdat er in de Kerk geen unanimiteit bestaat
ten opzichte van de leer waar het om gaat. Argumentatie heeft dan het
retorische doel van trachten te overtuigen.
Deze
eerste twee criteria voor een ingrijpende ontwikkeling - de leer van het
leergezag die naar men meent niet wijd en zijd door de gelovigen aanvaard is,
en waarvan de leer door middel van theologische argumenten gepresenteerd wordt
- bieden tezamen een goede aanwijzing om vast te kunnen stellen dat de leer
zich kennelijk in een stadium van ontwikkeling bevindt.
Hier
moet echter een derde criterium aan toegevoegd worden om een ontwikkeling te
onderkennen die meer dan waarschijnlijk ingrijpend is. Dat criterium, zelf een
aanvulling op de vorige twee, is dat de theologische argumentatie waardoor
leer van de kerk ondersteund of doorgegeven wordt niet overtuigend overkomt bij
een zeer groot deel van de katholieke theologen. Als het leergezag haar
leer ondersteunt of doorgeeft door de logische aanpassing van meer fundamentele
geloofspunten aan veranderende omstandigheden om de gelovigen die niet genegen
zijn die leer aan te nemen te overtuigen, en als die argumentatie een zeer
groot deel van diegenen in de Kerk die goed op de hoogte zijn van de
overlevering waarop ze zich beroept en die in staat zijn de levensvatbaarheid
van de beredeneerde toepassing op de huidige omstandigheden te taxeren, dan is
het veel waarschijnlijker dat zon leer zich ingrijpend aan het
ontwikkelen is dan als zon situatie zich niet voordeed.
Een
ingrijpende ontwikkeling zou in zon geval in de hand gewerkt kunnen
worden naar gelang theologen kritiek zouden uiten op het gangbare onderricht en
zouden laten zien hoe en waarom de naar voren gebrachte leerstellige argumenten
het onderricht niet rechtvaardigden, of alternatieve argumenten zouden
aandragen die een andere versie naar voren brengen die verenigbaar is met het
traditionele geloof en het huidige geloof van velen in de Kerk.
Het principe toegepast op INTER INSIGNIORES
Inter insigniores, die een uiteenzetting van de redenen geeft
voor de eeuwenoude praktijk van de Kerk om alleen mannen tot de priesterwijding
toe te laten, ... schijnt onder de gelovigen niet met grote instemming
ontvangen te zijn. Sociologisch bewijsmateriaal laat zien dat de
aanvaardbaarheid van de wijding van vrouwen onder katholieken in feite in de
jaren sinds de publicatie van het document aanzienlijk is toegenomen. Bij
voorbeeld (typisch voor Noord-Amerika en West-Europa), een opiniepeiling in
1977 door Gallup uitgevoerd constateerde dat 41% van de Noord-Amerikaanse
katholieken voor de wijding van vrouwen was, welke statistiek in 1993
toegenomen was tot 63%.
Een opiniepeiling van Gallup in 1993 laat zien dat 33%
van de katholieke ondervraagden het er sterk mee eens was en 30%
dat zij er tot op zekere hoogte mee eens waren dat het goed
zou zijn als vrouwen tot de priesterwijding werden toegelaten (The
Gallup Poll: Public Opinion 1993 144). Een peiling in 1994 uitgevoerd door
de New York Times/CBS News constateerde dat 59% van de Amerikaanse katholieken
voor de priesterwijding van vrouwen was (The New York Times [1 juni
1994] B8).
Zoals
eerder opgemerkt moet men voorzichtig zijn met het herleiden van de sensus
fidei tot de uitkomsten van sociologen en dubbel voorzichtig om de
overtuiging van katholieken in enkele landen te laten gelden voor die van de
hele Kerk. Toch is deze groei van de overtuiging dat vrouwen gewijd kunnen
worden treffend, en voldoende om te kunnen oordelen dat deze leer van de Kerk
niet met grote instemming door de gelovigen ontvangen is. De meest
waarschijnlijke verklaringen voor deze toename zijn een groeiend besef van het
onrecht dat vrouwen in de traditionele maatschappijen wordt aangedaan, de
kracht van de beweging voor gelijke rechten voor vrouwen, en de daaruit
voortkomende uitbreiding van de rol van vrouwen in sociale kaders en taken die
mannen in de regel waren voorbehouden. We kunnen echter niet geheel buiten
beschouwing laten de invloed die de argumentatie van het document zelf in dit
tijdsbestek gehad heeft op het toenemend gebrek aan instemming met de leer
onder de gelovigen.
We
vinden in Inter insigniores alle drie de redenen - door omstandigheden
bepaald, logisch en retorisch - voor het gebruik van argumentatie bij de
afkondiging van de leer van het kerkelijk leergezag. De priesterwijding van
uitsluitend mannen is per slot van rekening een praktijk die in een of andere
vorm teruggaat tot de Kerk van de eerste eeuw. De behoefte die men voelde om
zon oude praktijk te rechtvaardigen komt voort uit veranderende
omstandigheden waarin men zich verplicht voelt van argumentatie gebruik te
maken om degenen die de traditie aanvechten te weerleggen. De eerste
alineas van het document identificeren die veranderende omstandigheden
als de moderne erkenning van de volledige gelijkwaardigheid van de vrouw, de
ruimere deelname van vrouwen aan het apostolaat van de Kerk, de
onvoorwaardelijke toelating van vrouwen tot de pastorale bediening in enkele
protestante kerken, en pleidooien van katholieke theologen voor de
priesterwijding van vrouwen. In Inter insignores wordt logische
bemiddeling nodig geacht om de meest fundamentele geloofspunten van de
overlevering toe te passen op deze veranderende omstandigheden.
Er
komen verscheidene ondergeschikte argumenten in het document voor die dienen om
pleidooien voor de wijding van vrouwen gebaseerd op de Schrift en de
geschiedenis, te weerleggen. De uiteenzetting merkt, bijvoorbeeld, terloops op
dat de onmiskenbare neerslag van onbillijke vooroordelen over het
vrouwelijke geslacht in de geschriften van de kerkvaders nagenoeg geen
invloed gehad hebben op hun pastorale praktijk en op hun geestelijke leiding.
Het argument vanuit de oorsprong merkt vervolgens op dat
Jezus onder de twaalf geen vrouw opgenomen heeft hoewel zijn omgang
met vrouwen zich niet aanpaste aan, ja zelfs bewust en moedig afstand nam
van de gewoonten van zijn tijd.. Bovendien, de apostelen dachten niet aan
vrouwelijke kandidaten om de twaalf in de kerk van Pinksteren aan te vullen,
hoewel Maria zelf een bijzondere plaats in hun kring innam. En ook Paulus heeft
er niet aan gedacht om vrouwen de wijding toe te dienen.
Hoe
belangrijk deze argumenten vanuit de oorsprong in het document ook
zijn om de continuïteit van de kerkelijke praktijk tegen de
tegenargumenten voor verandering te verdedigen, ze zijn ondergeschikt aan wat
wij zullen noemen het argument vanuit de vertegenwoordiging. Hoewel
Inter insigniores zijn redenering vanuit de
vertegenwoordiging voorstelt als een poging om de leer door een
geloofsanalogie te verhelderen en niet om een overtuigend bewijs te
leveren, schijnt de manier waarop de premissen leiden tot de conclusie
toch een elementaire deductie in te houden. De hoofdpremisse van de redering is
de constante leer van de Kerk dat de bisschop of priester bij
de uitoefening van hun ambt niet in eigen persoon handelen, maar Christus
vertegenwoordigen, die door hem handelt... In het ambt, dus, handelt de
priester niet alleen in de kracht die hem door Christus wordt
medegedeeld, maar in de persoon van Christus. Deze hoofdpremisse wordt
vergeleken met de minorterm dat het Woord vlees geworden is volgens het
mannelijke geslacht, een feit dat geen voortreffelijkheid van de man
boven de vrouw met zich meebrengt, maar toch overeenstemt met het heilsplan
zoals het door God is geopenbaard en symbolisch belangrijk voor de economie van
de openbaring.
Door
logische bemiddeling komen we tot de conclusie van de leer dat vrouwen geen
priester kunnen zijn omdat ze als vrouw niet ambtelijk in de persoon van
Christus zouden kunnen optreden, daar de verlosser man was. De minorterm van
deze redenering stelt de contemporaine culturele verschuivingen aan de orde
waardoor feministen met hun eigen gevoeligheden er niet langer van uitgaan dat
metafysische begrippen zoals persoon intrinsiek mannelijk zijn of nadrukkelijk
beweren dat dergelijke begrippen de sociale (en kerkelijke) vertekening alleen
wegnemen als ze verstaan worden op een gender-inclusieve wijze. Het retorische
element van de redenering laat zien dat men zich bewust is wat deze
gevoeligheden eigenlijk willen en dat het nodig is om hen die het traditionele
geloof ongeloofwaardig vinden, te overtuigen - en men gaat in het document
zelfs zo ver dat men vooruitloopt op de tegenargumenten tegen de centrale
plaats die aan het man-zijn van Christus gegeven wordt en die bij voorbaat
afwijst. Net zoals bij Humanae vitae zijn er zoveel theologen die de argumentatie van
Inter insigniores twijfelachtig vinden dat het voor zeer velen van hen
overbodig werk is om het gebrek aan overtuigingskracht aan te tonen.
Beide
leerstukken, Humanae Vitae en Inter Insigniores, blijken te
voldoen aan ons criterium voor ingrijpend veranderende leer, allereerst omdat
ze niet met grote instemming door de gelovigen aangenomen schijnen te zijn, en
ten tweede, maar wel belangrijk, omdat zij hun leer naar voren brengen door
middel van een argumentatie die niet overtuigend gebleken is voor degenen in de
Kerk die zich op professionele wijze bezig houden met het werk om verstand en
geloof bij elkaar te brengen.
By wijze van afronding:
De veranderingen in de kerkelijke leer die feitelijk in de loop van de
geschiedenis hebben plaatsgevonden laten zien dat een overlevering in stand kon
blijven totdat ontwikkelingen in de menselijke wetenschap of cultuur de kerk
dwongen om een en ander in een nieuw licht te bekijken. Door haar overlevering
eerlijk in dit nieuwe licht opnieuw te onderzoeken, is de Kerk soms tot het
inzicht gekomen dat de redenen om aan haar eerdere positie vast te houden
helemaal niet afdoende waren.
Het valt niet te ontkennen dat vele van de redenen die in het verleden
aangevoerd werden om de uitsluiting van vrouwen van het priesterschap te
rechtvaardigen zo zijn dat we ons zouden generen om die nu te gebruiken. Het is
echter wel zo dat er in de recente documenten van de Heilige Stoel betere
redenen naar voren gebracht zijn dan vroeger. Het blijft voor mij echter een
vraag of het duidelijk vaststaat dat de bisschoppen van de katholieke Kerk even
overtuigd zijn door deze redenen als paus Johannes Paulus dat blijkbaar is, en
of, bij de uitoefening van hun eigenlijke rol als rechter en leraar van het
geloof, zij eenstemmig geweest zijn als zij leren dat de uitsluiting van
vrouwen van wijding tot priester een goddelijk geopenbaarde waarheid is waar
alle katholieken verplicht zijn definitieve mee in te stemmen.
FRANCIS A. SULLIVAN, Guideposts from Catholic tradition . Infallibility
doctrine invoked in statement against ordination by Congregation for the
Doctrine of the Faith, America 173 (9 dec. 1995) p. 5-6.
Vóór zijn pensionering in juni 1992 is Sullivan 36 jaar lang
hoogleraar in de ecclesiologie geweest aan de Pauselijke Gregoriaanse
Universiteit in Rome. Hij is de auteur van Magisterium: Teaching Authority
in the Catholic Church (Paulist, 1983) en Creative Fidelity: Weighing
and Interpreting Church Documents (Paulist, 1996).
Besluit
De
overlevering in de Kerk is niet statisch. Ze groeit. Ze wordt verrijkt door
nieuwe inzichten in de waarheid en nieuwe spirituele ervaringen. De
overlevering verwerpt op deze manier onjuiste interpretaties en ontdekt
expliciet wat altijd al impliciet tot haar geloofsschat behoord heeft. Deze
groei in begrip wordt voortgezet door de blijvende werkzaamheid van de Heilige
Geest in de Kerk.
John
Wijngaards
Vertaling: Theo van Schaick fic
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..
Vermeld a.u.b. dat dit documentontleend is aan www.womenpriests.org!

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |