|
|
|---|
de juiste uitleg van de
overlevering

* bijbelse overlevering
* dynamische overlevering
* latente overlevering
* gerijpte overlevering
De hele kerkgeschiedenis door zijn vrouwen, van nature
en volgens de wet, als tweederangswezens beschouwd
- DeGriekse filosofie die door de christenen
overgenomen werd, beschouwde vrouwen als van nature ondergeschikt aan mannen.
- Het Romeinse recht, dat de basis ging vormen voor
de wetten van de kerk, kende vrouwen een lagere status in de maatschappij toe.
Vrouwen hadden thuis en in de burgermaatschappij niet dezelfde rechten als
mannen.
- Enkele kerkvaders zagen een samenhang tussen
de vermeende lagere status van de vrouw en teksten uit de bijbel: alleen de
man, zeiden ze, was geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Bovendien had
Paulus vrouwen verboden in de kerk als leraar op te treden.
- Kerkelijke verordeningen uit het
eerste millennium vertonen ook sporen van de overtuiging dat vrouwen minder
waren.
- Ook theologen volgden deze manier van denken
en namen de vrouwvijandige ideeën van Grieken en Romeinen op in hun
theologische argumentaties.
- Kerkelijke juristen formuleerden het kerkelijk
recht op basis van het Romeinse recht, en op de negatieve uitspraken van de
kerkvaders en de plaatselijke kerkelijke concilies.
Tegen deze achtergrond hoeft het ons niet te verbazen
als we constateren dat de overgrote meerderheid van kerkvaders, kerkelijke
juristen, theologen en kerkelijke leiders van mening was dat zo'n
minderwaardig wezen onmogelijk priester gewijd kon worden. Het is
duidelijk dat deze sociale en culturele vooringenomenheid hun oordeel met
betrekking tot de geschiktheid van vrouwen voor de priesterwijding ontkrachtte.
1. Volgens Plato en Aristoteles zijn
vrouwen van nature minder
Volgens Plato (427-347 v.Chr.) zijn vrouwen ontstaan door een fysieke
degeneratie van de mens. "Alleen mannen worden rechtstreeks door de goden
geschapen en krijgen een ziel. Zij die goed leven keren terug naar de sterren,
maar wat de lafaards of [die slecht leven] betreft mag men met
zekerheid aannemen dat die bij de reïncarnatie van aard zijn veranderd en
vrouw zijn geworden."
Aristoteles (384-322 v.Chr.) beschouwde vrouwen als
onvolkomen menselijke wezens.
- Vrouwen waren onvruchtbare mannen. "Daar het de vrouw
ontbreekt aan natuurlijke warmte, kan zij haar menstruatievocht niet zo'n graad
van zuiverheid bezorgen dat het semen (d.i. zaad) wordt. Zij draagt
tot het embryo dus alleen de materie bij, en zorgt voor een akker
waarop het kan groeien". Haar onvermogen om zaad te produceren maakt haar
onvolkomenheid uit.
- In de maatschappij neemt de man de belangrijkste plaats in omdat hij
een beter verstand heeft. Alleen de man is een volledig menselijk wezen. "De
verhouding tussen man en vrouw is van nature zo dat de man hoger staat
en de vrouw lager, dat de man bestuurt en de vrouw bestuurd wordt."
- Voor details en verwijzingen, lees
Griekse filosofie over de
tweederangs status van vrouwen
- Zie ook het uitstekende artikel van Kim Power
"Of godly men and medicine: ancient
biology and the Christian Fathers on the nature of
woman".
2. Het Romeinse recht kende de vrouw een
zeer lage status toe
Volgens het Romeinse familierecht was de echtgenoot de absolute heer en
meester.
- De vrouw was het eigendom van haar echtgenoot en volkomen
onderworpen aan wat hij beschikte.
- Hij kon haar straffen net zoals hij wilde.
- Van het familiebezit was niets het eigendom van de vrouw zelf. Alles
wat zij of haar kinderen door erfenis verwierven, behoorde haar man toe, ook de
bruidsschat die zij bij haar huwelijk meebracht.
- Ook volgens het Romeinse burgerlijk recht waren de rechten van de
vrouw zeer beperkt.
De redenen die de Romeinse wetgeving aangeeft om de rechten van de vrouw
in te perken worden nu eens beschreven als de zwakheid van haar
sekse dan weer als de domheid van haar sekse. Uit
de context blijkt dat het probleem niet lag in de fysieke zwakheid van de
vrouw, maar in wat men zag als haar gebrek aan gezond oordeel en haar
onvermogen om logisch te redeneren.
- Vrouwen konden geen openbaar ambt bekleden.
- Vrouwen konden niet namens zichzelf optreden in rechtszaken, of
contracten sluiten, of als getuige optreden, enzovoort.
- Vrouwen werden op één hoop gegooid met minderjarigen,
slaven, veroordeelde misdadigers en doofstommen; d.w.z. met mensen op wier
oordeel men niet aankon.
Voor details en verwijzingen, lees:De rechten van vrouwen in het Romeinse
recht
3. De kerkvaders beschouwden vrouwen
als minder
De traditie van de Romeinen en de hellenisten van die tijd wilde dat er
in de maatschappij hogere en lagere vormen van menselijk bestaan waren. Vrouwen
waren van nature lager dan mannen. Het hoeft ons niet te verbazen dat dit van
grote invloed was op de manier van denken van de kerkvaders.
De lager status van de vrouw werd zonder meer aanvaard.
- "Volgens de natuur en volgens de wet bevindt de vrouw zich in een
ondergeschikte positie ten opzichte van de man" Irenaeus, Fragment nr.
32
- "Het is onder menselijke wezens natuurlijkerwijze zo geordend dat
vrouwen hun echtgenoot dienen en kinderen hun ouders. De rechtvaardiging
hiervan ligt in het principe dat het lagere het hogere dient . . . De natuur
wil dat het zwakkere brein het sterkere dient. In de verhouding tussen slaven
en hun meesters is het dus vanzelfsprekend dat degene die meer verstand heeft
ook meer macht heeft." (Augustinus, Vragen betreffende de
Heptateuch, Boek I, § 153
- "Het lijdt ook geen twijfel dat het meer in overeenstemming met de
natuur is dat mannen heersen over vrouwen dan vrouwen over mannen. Met dit
principe voor ogen zegt de apostel: "De man is het hoofd van de vrouw;" en
"Vrouwen, schik u naar uw man." En daarom schrijft de apostel Petrus ook:
"Zoals Sara, die gehoorzaam was aan Abraham en hem haar heer noemde"."
Augustinus, Over de
Begeerte, Boek I, hfst. 10.
- "De apostel wil dat vrouwen, die klaarblijkelijk minderwaardig zijn,
vlekkeloos zijn, opdat de kerk van God zuiver moge zijn" Ambrosiaster,
Over 1 Timoteüs
3,11.
- "Wie anders dan vrouwen kunnen zo iets nu leren? Werkelijk, vrouwen
zijn een zwak geslacht, onbetrouwbaar en middelmatig van intelligentie. Opnieuw
zien wij hier dat de duivel erin slaagt om vrouwen belachelijke leerstellingen
te doen uitbraken zoals hij dat zo juist klaargespeeld heeft met Quintilla,
Maxima en Priscilla" Epifanius, Panarion 79,
§1.
Een bevestiging van de lagere status van de vrouw vonden velen vaak in
het geloof dat alleen de man, en niet de vrouw, geschapen was naar Gods beeld
en gelijkenis.
- "Jij (vrouw) hebt zo maar Gods beeld, de man, vernietigd"
Tertullianus, De Cultu
Feminarum, boek 1, hfst. 1.
- "Hoe zou God dan de mannen zo'n gunst onthouden hebben en de
vrouwen niet, op grond misschien van een grotere intimiteit, daar de man
"Zijn beeld" is, of omdat dat hij zwaarder werk doet? Maar indien aan de man
niets verleend is, dan moet zeker niets aan de vrouw verleend worden."
Tertullianus, Over de
gesluierde Maagden, hfst. 10.
- "Vrouwen moeten het hoofd bedekt houden omdat ze geen beeld van God
zijn. . . Hoe kan iemand beweren dat de vrouw naar Gods gelijkenis is geschapen
als ze onloochenbaar onderworpen is aan de macht van de man en geen enkel gezag
heeft? Want ze kan niet als leraar optreden, noch als getuige in rechtszaken,
ze heeft ook geen burgerrechten en kan ook geen rechter zijn - ze kan dan zeker
geen gezag uitoefenen" Ambrosiaster, Over 1 Korinthiërs 14,
34.
De kerkvaders namen ook Aristoteles' zienswijze over dat de vader, als
volledig mens, het zaad levert terwijl de moeder slechts de teelaarde is waarin
het zaad groeit.
- "De teelaarde dus, dat wil zeggen de schoot, ontvangt het menselijk
geslacht, en ze voedt wat het hare wordt na het ontvangen te hebben, en terwijl
ze deze vrucht voedt, en die een lichamelijke vorm geeft, brengt ze de
verschillende ledematen tot ontwikkeling." Hieronymus, Brief aan Pammachius.
- "Zij zonderen zich af met een vrouw en rechtvaardigen hun zondige
omhelzingen met verwijzing naar de tekst: De almachtige vader neemt de
aarde tot vrouw; hij stort bevruchtende regen op haar neer zodat hij uit haar
schoot een nieuwe oogst kan binnenhalen. Hieronymus, Brief 133. Aan Ctesiphon,
§3.
Zie ook het uitstekende artikel van Kim Power,
"Of godly men and medicine: ancient biology
and the Christian Fathers on the nature of woman".
4. Oude kerkelijke
verordeningen en de lagere status van de vrouw
Het vooroordeel omtrent de lagere status van de vrouw vindt men ook
terug in enkele van de voorschriften die in de kerkelijke praktijk voor vrouwen
opgesteld waren.
- "Als de man het hoofd van de vrouw is en hij van de
aanvang af priester gewijd werd, is het niet juist om de orde van de schepping
op te heffen en de voornaamste rol te geven aan een heel ander deel van het
lichaam. De vrouw is immers het lichaam van de man, genomen uit zijn zijde, en
ze is onderworpen aan hem van wie ze afgescheiden werd om kinderen voort te
kunnen brengen. Want Hij zegt: "Hij zal over u heersen." Want het voornaamste
deel van de vrouw is de man, omdat hij haar hoofd is. En als wij in de
voorafgaande voorschriften hun niet toegestaan hebben om als leraar op te
treden, hoe zal iemand hun dan veroorloven, tegen de natuur in, het ambt van
priester te vervullen? Want het wijden van vrouwelijke priesters voor de
vrouwelijke goden is een van de domme praktijken van het heidense
atheïsme, en geen voorschrift van Christus. Want als het doopsel door een
vrouw toegediend mocht worden, dan zou de Heer zeker door zijn eigen moeder
gedoopt zijn en niet door Johannes; of toen Hij ons uitzond om te gaan dopen,
zou Hij zeker ook vrouwen met ons meegestuurd hebben om dat te doen. Maar Hij
heeft ons nergens, noch via voorschrift noch schriftelijk, zo iets doorgegeven;
want hij kende de orde van de natuur, en wist dat de handeling decent
verricht zou worden; hij is immers de Schepper van de natuur en de Wetgever van
de voorschriften" Apostolische Constituties,
III, nr 9
- Dezelfde tekst wordt aangehaald in de
Statuta Ecclesiae Antiqua
hfst. 41, die in de Middeleeuwen heel bekend was.
- Vrouwen moeten tijdens de goddelijke liturgie zwijgen; zoals de
apostel Paulus zegt: "Zij moeten hun mond houden. Het is hun niet toegestaan
het woord te nemen; zij moeten ondergeschikt blijven, zoals trouwens de wet
voorschrijft. Willen zij iets te weten komen, dan moeten zij er thuis hun man
maar naar vragen". Concilie van Trullo, canon
70.
5. Ook theologen zijn ervan
uitgegaan dat vrouwen minder waard waren
De middeleeuwse theologen die de Griekse filosofie, het Romeinse recht,
de leer van de kerkvaders en de kerkelijke richtsnoeren als legitieme bronnen
voor hun argumentaties hebben aanvaard, hebben daarmee het vooroordeel
betreffende de lagere status van de vrouw meegekregen.
- "Er zijn drie redenen waarom men zegt dat de man, en niet de vrouw,
een beeld van God is. Allereerst: juist zoals er één God is en
uit hem alles ontstaan is, zo werd er in het begin één man
geschapen uit wie alle andere ontstaan zijn. In dit opzicht bestaat er dus een
overeenkomst tussen hem en God, namelijk dat zoals alles voortgekomen is uit
die ene God, alle andere mensen uit deze ene man zijn voortgekomen. Ten tweede:
juist zoals uit de zijde van Christus toen Hij op het kruis in doodsslaap was,
de oorsprong van de kerk vloeide, namelijk water en bloed die de sacramenten
van de kerk betekenen waardoor de kerk bestaat en haar oorsprong krijgt en de
bruid van Christus wordt, zo werd in het paradijs uit Adams zijde in zijn slaap
zijn echtgenote gevormd want er werd een rib bij hem weggehaald waaruit Eva
gevormd werd. Ten derde: juist zoals Christus het hoofd van de Kerk is en die
bestuurt, zo is de echtgenoot het hoofd van de vrouw en leidt en bestuurt hij
haar. Dit zijn de drie redenen waarom men zegt dat de man het beeld van God
is en niet de vrouw, en daarom moet de man niet zoals de vrouw een teken van
onderworpenheid zijn, maar een teken van vrijheid en superioriteit. Op een
vierde wijze, echter, zegt men dat zowel de man als de vrouw beeld van God
zijn, wat uitgedrukt wordt in: Laten we de mens maken wat wil
zeggen laten we hem maken naar ons beeld en onze gelijkenis zodat
hij door het verstand, door het intellect, door het geheugen, door de geest in
staat is te doen wat tot de goddelijke essentie behoort, en dit wordt zowel van
de vrouw als van de man gezegd." Huguccio, Summa, C. 33, qu. 5, ch.
13.
- "Vrouwen kunnen geen enkele publieke verantwoordelijkheid
dragen
Vrouwen kunnen geen openbaar ambt bekleden
De natuur heeft
vrouwen voortgebracht om kinderen te baren
De man is het beeld van
God
De schoot is de grond waarin het zaad groeit
, enz." Johannes
Teutonicus, Apparatus,
passim.
- "Vrouwen kunnen geen mannelijke taken vervullen. Dit geldt zelfs
voor adellijke vrouwen en abdissen
Achttien redenen waarom vrouwen
slechter af zijn dan mannen
" Henrick de Sergusio, Commentaria, I fol. 173r,
204v.
- "Vrouwen zijn niet geschikt om gewijd te worden, want de wijding is
voorbehouden aan volmaakte leden van de kerk, omdat die verleend wordt voor de
uitdeling van genade aan anderen. Vrouwen zijn echter geen volmaakte leden van
de kerk, dat zijn alleen mannen. ... Daar komt nog bij dat de vrouw geen beeld
van God is, dat is alleen de man". Guido de Baysio, Rosarium, c. 27, qu. 1, ch.
23.
- "Het is passend dat de vrouw geen sleutelmacht bezit want ze is niet
geschapen naar Gods beeld, dat is alleen de man, die de heerlijkheid en het
beeld van God is. Daarom moet een vrouw onderworpen zijn aan de man en zijn
slaaf zijn, en niet omgekeerd" Anthony de Butrio, Commentaria, II, fol. 89r.
Net zoals Aristoteles schreef Thomas van Aquino het onstaan van een
vrouwelijk wezen toe aan een gebrek in een bepaald zaadje. Het mannelijk
semen is bestemd om een volledig menselijk wezen voort te brengen, een
man, maar soms gaat er iets mis en dan wordt er een vrouw geproduceerd. Een
vrouw is dus een mas occasionatus, een onvolledige man. Ze wordt ook
niet helemaal naar het beeld van God geschapen.
- "Bekeken vanuit de natura particularis [d.w.z. de activiteit
van het mannelijk zaad], is een vrouwelijk wezen onvolkomen en is het
onbedoeld tot stand gekomen. Want de actieve kracht van het zaad wil altijd
iets voortbrengen dat volkomen aan zichzelf gelijk is, iets mannelijks. Als er
dus een vrouwelijk wezen wordt voortgebracht dan moet dat komen doordat het
zaad zwak is of omdat de materie [verschaft door de vrouwelijke ouder]
ongeschikt is, of door het optreden van een factor van buiten zoals
zuidenwinden die de atmosfeer vochtig maken. Maar bekeken vanuit de natura
universalis [de Natuur] wordt het vrouwelijk wezen niet toevallig tot stand
gebracht maar is het door de Natuur bedoeld om de voortplanting mogelijk te
maken. Welnu, de bedoelingen van de Natuur komen van God, die er de bewerker
van is. Daarom maakte hij, toen hij de Natuur schiep, niet alleen het mannelijk
wezen maar ook het vrouwelijke." Summa Theologiae, 1, qu. 92, art 1,
r.
- "Met betrekking tot waar het bij de betekenis van een beeld
allereerst om gaat - dus met betrekking tot de geestelijke aard - vinden we het
beeld van God in de man zowel als in de vrouw
Met betrekking tot iets
bijkomstigs, is het zo dat het beeld van God in de man te vinden is op een
wijze die niet bij de vrouw wordt gevonden. Want de man is de oorsprong en het
doel van de vrouw, juist zoals God de oorsprong en het doel van de hele
schepping is. Daarom voegt de apostel aan de woorden: De man is het
beeld van Gods glorie, maar de vrouw is de glorie van haar man de reden
daarvan toe (1 Kor. 11,8v.): Want de man komt niet voort uit de vrouw,
maar de vrouw uit de man; ook is de man niet geschapen omwille van de vrouw,
maar de vrouw omwille van de man." Summa Theologiae I, qu. 93 art. 4
ad 1.
- "Dus zelfs als men een vrouw alle ceremoniën zou laten ondergaan
die bij de priesterwijding horen, dan zou zij toch geen priesterwijding
ontvangen, want daar een sacrament een teken is, wordt er bij alle sacramentele
handelingen niet zo maar een ontvanger vereist: het gaat om het inhoudelijke
van die persoon; zo werd er boven gezegd (32, 2) dat er bij het Heilig Oliesel
een zieke moet zijn, om de behoefte aan genezing aan te duiden. Dus, daar
het onmogelijk is in het vrouwelijk geslacht iets te vinden dat op een hoge
graad van voortreffelijkheid wijst - de vrouw bevindt zich immers in de
toestand van onderwerping - is het duidelijk dat zij het sacrament van het
priesterschap niet kan ontvangen" Summa Theologiae, Suppl., qu. 39, art
1.
6. Het kerkelijk recht heeft de
mindere positie van de vrouw vastgelegd
De vermeende mindere waarde van de vrouw is vooral via het
Decretum Gratiani (1140) het
kerkelijk recht binnengedrongen. In 1234 werd dit decreet officieel kerkelijk
recht, een essentieel deel van het Corpus Iuris Canonici, dat tot 1917
van kracht bleef.
- Vrouw
houdt in zwakheid van geest
- Een vrouw is
vanwege haar toestand van dienstbaarheid in alles aan haar echtenoot
onderworpen
- De vrouw is niet
geschapen naar het beeld van God
- Vrouwen zijn van
nature aan hun echtgenoot onderworpen
- Vrouwen mogen in de
kerk geen liturgische functie vervullen
- Vrouwen kunnen
geen priester of diaken worden
- Vrouwen mogen in de
kerk niet als leraar optreden
- Vrouwen mogen geen onderricht geven of
dopen
Het Corpus Iuris Canonici, dwz. het kerkelijk recht dat
gkold van 1234 tot1917, vatte de wettelijke situatie van vrouwen als volgt
samen:
- "Volgens een principe van het burgerlijk recht kan een vrouw geen
openbaar ambt uitoefenen. Volgens kerkelijk recht worden vrouwen ook
uitgesloten van alle geestelijke functies en ambten."
- "Een vrouw kan daarom geen enkele kerkelijke wijding ontvangen. Als
ze er een ontvangt dan zal de wijding geen sacramenteel merkteken inprenten . .
."
- "Geen vrouw, hoe heilig ze ook moge zijn, mag preken of onderricht
geven . . ."
- "Een vrouw is onderworpen aan de macht van haar echtgenoot, de
echtgenoot niet aan de macht van de vrouw. De man mag haar straffen. Een vrouw
moet haar echtgenoot volgen waar hij zich ook besluit te vestigen."
- "Een vrouw is tot grotere eerbaarheid/bescheidenheid gehouden dan een
man." "Een vrouw krijgt eerder vrijstelling wegens beduchtheid voor iets dan
een man. Om ontslag te krijgen van een excommunicatie hoeft ze niet naar Rome
te gaan."
L'Abbé André, Droit Canon, Paris 1859, vol. 2,
col. 75.
In de Codex Iuris Canonici, het
kerkelijk rechtboek dat werd uitgevaardigd in 1917 en van kracht bleef tot
1983, kwamen de volgende canons voor die gebaseerd waren op de vermeende
minderwaardigheid van een vrouw:
- "Een echtgenote die niet wettig van haar echtgenoot is gescheiden,
behoudt automatisch het domicilie van haar echtgenoot". Canon 93, §
1.
- "Alleen [mannelijke] clerici kunnen een kerkelijke wijdings- of
jurisdictiemacht en kerkelijke voorrechten en betaling ontvangen", Canon
118.
- "[Met betrekking tot de broederschappen of godvruchtige verenigingen
die opgericht zijn ter bevordering van godsdienstige of charitatieve werken:]
Vrouwen kunnen slechts ingeschreven worden in broederschappen ten einde aflaten
en geestelijke gunsten te verdienen die aan broeders verleend worden", Canon
709, § 2.
- "Alleen een gedoopte man kan geldig de heilige wijding
ontvangen", Canon 968, § 1.
- "[Bij zalig en heiligverklaringen] kan iedere gelovige het proces
aanhangig maken, hetzij door zichzelf hetzij door een procurator
; vrouwen
alleen door een (mannelijke) procurator", Canon 2004, § 1
Het nieuwe Wetboek van Canoniek
Recht (1983) bevat enige verbeteringen in de rechtspositie van de
vrouw. Er kwam een einde aan de discriminatie naar sekse betreffende het
domicilie (can. 104), de plaats waar het huwelijk (can. 1115) of de uitvaart
(can. 1177) gevierd moet worden. Verder:
- Vrouwen kunnen bij de rechtspraak als rechter optreden (can. 1421,
§ 2).
- Vrouwen kunnen toegelaten worden om in een kerk te preken (can.
766).
- Aan vrouwen kan de pastorale zorg over een parochie tijdelijk
toevertrouwd worden (can. 517, § 2).
Op andere gebieden bestaat er echter nog altijd discriminatie:
- "Alleen een gedoopte man ontvangt geldig de heilige wijding",
Canon 1024.
- Dit houdt in uitsluiting van de bestuursmacht in de kerk. "Tot
bestuursmacht die krachtens goddelijke instelling in de Kerk bestaat en die ook
jurisdictiemacht genoemd wordt, zijn volgens de voorschriften van het recht
bekwaam zij [= mannen] die een heilige wijding ontvangen hebben.", Canon
129, § 1.
- "Alleen clerici [= mannen] kunnen ambten verkrijgen tot uitoefening
waarvan wijdingsmacht of kerkelijke bestuursmacht vereist is." Canon 274,
§ 1.
Besluit
Het is een feit dat vele kerkvaders, kerkelijke
juristen, theologen en kerkleiders van mening waren dat vrouwen niet tot
priester gewijd konden worden.
Het valt niet te ontkennen dat deze opinie steunde, en
nog steunt, op het vooroordeel dat vrouwen minder zijn.
Het is duidelijk dat deze sociale en culturele
vooringenomenheid hun oordeel met betrekking tot de geschiktheid van vrouwen
voor de priesterwijding ontkrachtte.
Hans Wijngaards
Vertaling: Theo van Schaick
fic
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..
Vermeld a.u.b. dat dit documentontleend is aan www.womenpriests.org!


In dit boek gaat Hans Wijngaards in
op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het
jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op
zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert
Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van
vrouwen tot diaken.
Klik hier!