OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Vooroordeel maakt traditie niet ongeldig

Vooroordeel maakt traditie niet ongeldig

Uit INTER INSIGNIORES:

Het wapen van John Paul II

(De doorverbonden, cursieve commentaren zijn van John Wijngaards)

(Cursief in de tekst door John Wijngaards)

6. … Weliswaar vindt men in de geschriften van de vaders de onmiskenbare neerslag van onbillijke vooroordelen over het vrouwelijk geslacht [Vooroordelen die vrouwen als mindere van nature beschouwden, onbekwaam om gezagvol op te treden, onderworpen aan mannen als straf voor zondig zijn en ritueel onrein …], maar deze hebben nagenoeg geen invloed gehad op hun pastorale praktijk en nog minder op hun geestelijke leiding [Is het niet meer relevant om te beseffen dat hun vooroordelen hen belet hebben zelfs de mogelijkheid onder ogen te zien van ‘vrouwelijke priesters’?].

Voor de volledige tekst, zie: INTER INSIGNIORES.

Uit het Commentaar van de Heilige Congregatie voor de geloofsleer aangaande de Verklaring Inter Insigniores:

Congregatie voor de Geloofsleer

25. Hoe moeten we de constante en universele praktijk van de kerk interpreteren? Een theoloog is er zeker van, dat de kerk, wat zij doet, in feite kan doen, omdat zij de bijstand heeft van de Heilige Geest [Bewijst dit niet dat de kerk vrouwen kan wijden tot priester omdat zij hen wijdde tot diaken?]. Dit is een klassiek argument dat men bij de heilige Thomas steeds weer aantreft met betrekking tot de sacramenten.(22)

Voetnoot 22. Hl. Thomas, Summa Theol., 2a 2ae, q. 10, a. 12; 3a pars, q. 66, a. 10; q. 72, a. 4 en a. 12; q. 73, a. 4; q. 78, a. 3 en a. 6; q. 80, a. 12; q. 82, a. 2; q. 83, a. 3 en a. 5; - vgl. In IV Sent. Dist. 20, q. 1, a. 4, qa 1 ff: Dist. 23, q. 1, a. 4, qa 1, enz.

26. Maar wat de kerk nooit heeft gedaan - is dat een bewijs, dat zij het niet in de toekomst kan doen? Wijst het zo negatief gestelde feit

27. op een norm, of moet het worden uitgelegd door historische en sociale en culturele omstandigheden? Kan er in het voorliggende geval een verklaring worden gevonden vanuit de positie van de vrouw in de oude en middeleeuwse samenleving en vanuit een bepaald idee van de mannelijke superioriteit afkomstig uit de cultuur van die samenleving? [Was het alleen maar ‘een bepaald idee van mannelijke superioriteit’? Was het niet eerder een ontkenning van kwaliteiten die vrouwen bekwaam maken voor de heilige wijdingen: uitmuntendheid als menselijke wezens, opgenomen zijn door het doopsel in het algemeen priesterschap van Christus en vrij zijn van een veronderstelde rituele onreinheid?]

28. Vanwege dit voorbijgaand cultureel element zijn argumenten die in het verleden ten aanzien van dit onderwerp zijn aangevoerd op vandaag nauwelijks te verdedigen. Het meest beruchte argument is dat welke door de heilige Thomas wordt samengevat: quia mulier est in statu subiectionis.(23) [Is dit het enige onaanvaardbare argument van Thomas over vrouwen?] In de gedachte van Thomas is deze bewering echter geen loutere uitdrukking van een filosofische opvatting, aangezien hij het interpreteert in het licht van de verhalen in de eerste hoofdstukken van Genesis en de leer van de Eerste Brief aan Timóteüs (3, 12-14). [Maakt Thomas’ onjuiste interpretatie van deze schriftteksten zijn standpunt meer aanvaardbaar? Weigerde Thomas de wijding aan vrouwen niet vanwege zijn foutieve biologische, sociale en schriftuurlijke ideeën? Is de combinatie van filosofische en theologische vooroordelen niet fataal voor zijn argument?]

Voetnoot 23. Hl. Thomas, In IV Sent. Dist. 19, q. 1, a. 1, qa 3 ad 4um; Dist. 25, q. 2, a. 1, qa 1; vgl. q. 2, a. 2, qa 1, ad 4; Summa Theol., 2a 2ae, q. 177, a. 2.

29. Een zelfde formule wordt eerder in het Decretum van Gratianus(24) aangetroffen, maar Gratianus die de karolingische capitularia en de valse áecretalen citeerde, probeerde veeleer met oudtestamentische voorschriften het verbod te rechtvaardigen - dat reeds door de oude kerk was geformuleerd(25) - voor vrouwen om het heiligdom binnen te gaan en aan het altaar te dienen [Wil hiermee gezegd zijn dat dit het enige vooroordeel van Gratianus was?! --- En wat te denken van het geïnstitutionaliseerde vooroordeel van de volgende wetboeken van kerkelijk recht die tot onze tijd voortduren?].

Voetnoot 24. Dictum Gratiani in Caus. 34, q. 5, c. 11, ed. Friedberg, t. 1, col. 1254; vgl. R. Metz, La _femme en droit canonique mediéval, in Recuil de la Société Jean Bodin, 12, 1962, blz. 59-113.

Voetnoot 25. Canon 44 van de collectie bijeengebracht na het concilie van Laodicéa: H.T. Bruns, Canones Apostolorum et Conciliorum... t. 1, Bertolini, 1839, blz. 78; hl. Gelasius, Epist. 14, ad universos episcopos per Lucanium, Brutios et Siciliam constitutos, 11 maart 494, n. 26: A. Thiel, Epistolae Romanorum pontificum.... t. 1, Brunsbergae, 1868, blz. 376.

30. De polemische argumenten van de afgelopen jaren hebben vaak deze teksten die deze argumenten ontwikkelen in herinnering gebracht en becommentarieerd. Zij hebben ze ook gebruikt om de kerkvaders te beschuldigen van vrouwenhaat [Hoe moeten we wat Tertullianus en Epiphnius over vrouwen zeiden dan noemen?]. Het is waar, dat we in de geschriften van de vaders de onmiskenbare invloed van vooroordelen tegen vrouwen aantreffen. Maar er dient zorgvuldig te worden opgemerkt, dat deze passages weinig invloed hadden op hun pastorale activiteit, en nog minder op hun geestelijke leiding, zoals wij bij vluchtige lezing van hun correspondentie welke ons heeft bereikt, kunnen zien [Bagatelliseert dit niet wezenlijke vooroordelen die rechtstreeks de onbekwaamheid van een vrouw voor de wijding ondermijnen?].

31. Vooral zou het een ernstige fout zijn te denken, dat dergelijke overwegingen de enige of de meest doorslaggevende redenen zouden verschaffen tegen de wijding van vrouwen in de gedachte van de vaders, de middeleeuwse schrijvers en de theologen van de klassieke periode [Tonen de feiten niet aan dat de kerkvaders, de middeleeuwse schrijvers en theologen zélf hun afwijzing van het priesterschap voor vrouwen baseren op de vooroordelen die zij hadden?]. In de overdenkingen en erbuiten werd een steeds duidelijker uitdrukking gegeven aan het bewustzijn van de kerk, dat zij in de reservering van priesterwijding en priesterambt voor mannen gehoorzaamde aan een traditie die zij van Christus en de apostelen had ontvangen en waardoor zij zich gebonden voelde [Was deze theologische mening werkelijk gebaseerd op een geldige kennis van schriftuur en wetenschap?].

Voor de volledige tekst, zie: Officieel Commentaar op INTER INSIGNIORES.

Vertaling van kommentaar fragmenten door Isaac Wüst

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten

Vermeld a.u.b. dat dit documentontleend is aan www.womenpriests.org!


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research