Vrouwen werden ritueel als onrein beschouwd

Vrouwen werden ritueel als onrein beschouwd

Bijna de hele geschiedenis door werden vrouwen, vooral in het Westen, als ritueel onrein beschouwd.
Volgens de Joodse traditie was een vrouw door haar maandelijkse bloedingen regelmatig ritueel onrein. Soortgelijke taboes op menstruatie bestonden ook in heidense Griekse en Romeinse kringen. Door hun antiseks-manie maakten de kerkvaders de angst voor de rituele onreinheid van de vrouwen nog erger. De kerkelijke leiders waren bezorgd dat die onreinheid de heiligheid van het kerkgebouw, het priesterkoor en vooral het altaar zou schenden. In een klimaat waarin alle aspecten van seksualiteit en voortplanting meer en meer als met zonde besmet beschouwd werden, waren de theologen van mening dat een ‘onrein iemand’ zoals een vrouw niet belast kon worden met de zorg voor Gods heilige werkelijkheden. Verboden die gebaseerd waren op de vermeende ‘rituele onreinheid’ van de vrouw zijn de laatste 700 jaar in de officiële kerkelijke wetgeving gehandhaafd.

Tegen deze achtergrond hoeft het ons niet te verbazen als we constateren dat de overgrote meerderheid van de kerkvaders, canonisten, theologen en kerkelijke leiders van mening waren dat men zo’n ‘ritueel onrein’ iemand niet de bediening van de eucharistie kon toevertrouwen.
Het is duidelijk dat deze sociale en culturele vooringenomenheid hun oordeel met betrekking tot de geschiktheid van vrouwen voor de priesterwijding ontkrachtte.

De joodse vrees voor verontreiniging door menstruatiebloed

Een oudtestamentische sleuteltekst betreffende de bezoedeling door menstruatie is Leviticus 15,19-30, waar we de volgende voorschriften vinden:

  • “Wanneer een vrouw een vloeiing heeft en het is de bloeding van haar menstruatie, dan is zij zeven dagen onrein.”
  • “Ieder die haar aanraakt, is tot de avond onrein”
  • “Alles waarop zij tijdens haar onreinheid slaapt, wordt onrein; alles waarop zij zit, eveneens. Ieder die haar bed aanraakt, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. Ook iemand die datgene aanraakt wat zich bevindt op de slaapplaats, of opp de plaats waar zij gezeten heeft, wordt onrein tot de avond.”
  • “Heeft iemand gemeenschap met zo’n vrouw, dan komt haar onreinheid ook op hem. Hij is zeven dagen onrein; ook het bed waarop hij ligt, wordt onrein.”
  • “Heeft een vrouw een langdurige bloeding buiten de tijd van de menstruatie of duurt de menstruatie bij haar langer dan normaal, dan is zij heel die tijd onrein, zoals tijdens de menstruatie.”
  • “Houdt haar bloeding op en wil zij gereinigd worden, dan moet zij zeven dagen wachten. Op de achtste dag brengt zij twee tortels of duiven naar de priester, bij de ingang van de tent van samenkomst. Deze draagt de ene op als zondeoffer en de andere als brandoffer. Zo voltrekt hij voor haar de verzoeningsrite voor de HEER, vanwege de onreinheid door de bloeding.”
  • “Waarschuw de Israëlieten voor gevolgen van hun onreinheid,... als zij in die toestand mijn verblijfplaats in hun midden betreden.”

Deze wetten werden zelfs nog lastiger en ingewikkelder gemaakt in de latere rabbijnse tradities.. De consequenties voor de vrouwen waren:

  • Elke maand was ze gedurende zeven of acht dagen was ze ritueel onrein.
  • Ze moest gereinigd worden bij de geboorte van een kind; na de geboorte van een zoon was een moeder 40 dagen onrein, van een dochter 80 dagen. (Leviticus 12,1-8).

Het taboe op de menstruatie in de Grieks-Romeinse cultuur

Een taboe op vrouwen tijdens zwangerschap en menstruatie was algemeen bij vele volkeren in de vroege voor-christelijke eeuwen. In deze periodes werden vrouwen niet alleen als “onrein” beschouwd, maar ook als een gevaar omdat ze anderen met hun onreinheid konden besmetten.

“Door contact met de maandelijkse vloeiing van vrouwen wordt nieuwe wijn zuur, droogt de oogst uit, mislukken entingen, verdrogen zaden in de tuinen, valt het fruit van de bomen, wordt het heldere oppervlak van een spiegel dof, stompt de scherpe rand van staal af, wordt de glans van ivoor dof, gaan bijen dood, begint ijzer en brons te roesten, en raakt de lucht vervuld van een verschrikkelijke stank. Honden die het bloed proeven worden gek, en hun beet wordt even giftig als bij hondsdolheid. De Dode Zee, die dik is van zout, kan niet gescheiden worden dan alleen met een draad die in de giftige vloeistof van het menstruatiebloed gedrenkt is. Een draad van een geïnfecteerde jurk is al genoeg. Als linnengoed bij het koken en wassen in water door de vrouw wordt aangeraakt, wordt het zwart. De kracht van de vrouw is in deze maandelijkse perioden zo magisch dat hagelbuien en wervelwinden verdreven worden als menstruatievocht blootgesteld wordt aan het licht van de bliksem” uit Plinius de Oudere, Naturalis Historia , boek 28, hfst. 23, 78-80; boek 7, hfst. 65.

De Latijnse kerkvaders en het taboe op menstruatie

Tijdens de eerste vijf eeuwen van de christelijke tijdrekening beschermden de Grieks- en Syrischsprekende delen van de kerk de vrouwen tegen de ergste gevolgen van het taboe op de menstruatie. De Didascalia uit de derde eeuw verklaart dat de vrouwen tijdens hun maandstonden niet onrein zijn, dat ze geen rituele wassingen hoeven te verrichten en dat hun man hen niet in de steek moet laten. De Apostolic Constitutions herhaalde deze geruststellende boodschap. In 601 onderstreepte paus Gregorius I deze wijze van benadering. Men moest menstruerende vrouwen niet uit de kerk weghouden of van de communie afhouden. Maar deze echt christelijke reactie werd helaas overspoeld door een verscherpt vooroordeel in latere eeuwen. De Latijnse kerkvaders zijn verantwoordelijk voor de terugkeer van een antiseks-hysterie in de christelijke moraal. Dit begon met Tertullianus (155-245), volgens wie zelfs wettige huwelijken ‘besmet waren door seksuele begeerte'. Hiëronymus (347-419) zette deze gedachtegang voort en leerde dat bederf vastzit aan alle seksualiteit en geslachtsgemeenschap, zelfs in wettig gesloten huwelijken. Het huwelijk, met al zijn ‘vieze’ seks, kwam pas na de zondeval. Geen wonder dat ook Hiëronymus van mening was dat het ‘menstruatievocht’ vrouwen onrein maakte.

Augustinus (354-430) was geen haar beter. ‘Genot’ tijdens de gemeenschap stond gelijk met seksuele begeerte, d.w.z. de overblijfsels van de zonde. Zelfs binnen het huwelijk is seksualiteit een zonde, een ‘vergeeflijke fout’. Het ‘genot’ [= seksuele begeerte] van de geslachtelijke gemeenschap is feitelijk het middel waardoor de erfzonde doorgegeven wordt. Want het menselijke zaad wordt hierdoor bedorven. Het is duidelijk dat voor hem een menstruerende vrouw nooit aan het altaar zou hebben kunnen dienen.

De praktijk van de kerk in latere eeuwen

In 241 al schreef Dionysius, aartsbisschop van Alexandrië, dat “menstruerende vrouwen niet tot de Heilige Tafel mochten naderen, of het Allerheiligste aanraken, geen kerk mochten betreden, maar elders moesten gaan bidden.” Dit was een ongewoon geluid in het oostelijk deel van de kerk, waar immers vrouwelijke diakens in alle diocesen diensten verrichtten.

Het echte probleem kwam uit het Westen, uit de Latijnsprekende diocesen van Noord-Afrika, Italië, Gallië en Brittannië.

  • Het plaatselijke Concilie van Carthago in Noord-Afrika (vanaf 345) bepaalde wanneer bisschoppen, priesters en diakens zich moesten onthouden van seksuele gemeenschap.
  • Plaatselijke concilies in Frankrijk: Orange (441) en Epaon (517), bepaalden dat in hun gebied geen vrouwelijke diakens gewijd mochten worden. De onmiskenbare reden was dat men bang was dat menstruerende vrouwen het priesterkoor zouden verontreinigen.
  • Paus Gelasius I (494) maakte bezwaar dat vrouwen aan het altaar zouden dienen.
  • De diocesane Synode van Auxerre(588) bepaalde dat vrouwen die te communie gingen, hun handen moesten bedekken met een ‘zondags’ kleed.
  • De Synode van Rouen (650) verbood de priesters om vrouwen de kelk in handen te geven of ze toe te staan te helpen bij het uitreiken van de communie.
  • Bisschop Timoteüs van Alexandrië (680) bepaalde dat gehuwde paren zich zaterdags en zondags moesten onthouden van gemeenschap en ook op de dag vóór ze te communie gingen. Menstruerende vrouwen mogen niet te communie gaan, mogen niet gedoopt worden of met Pasen naar de kerk gaan.
  • Bisschop Theodorus van Canterbury (690), zich niets aantrekkend van de brief van paus Gregorius de Grote aan zijn voorganger, verbood menstruerende vrouwen een kerk binnen te gaan of de communie te ontvangen. Moeders bleven na de bevalling veertig dagen onrein.
  • Bisschop Theodulfus van Orléans (820) verbood vrouwen het priesterkoor te betreden. En ook: “Vrouwen moeten hun zwakte en de minderwaardigheid van hun sekse niet vergeten en daarom moeten ze altijd bang zijn om de heilige zaken aan te raken die de Kerk voor haar dienstwerk gebruikt.”

Scholastieke theologen en de rituele onreinheid van vrouwen

De klaagzang gericht tegen de vermeende rituele onreinheid van vrouwen werd door theologen in de Middeleeuwen voortgezet.

  • “Tijdens de menstruatie en na een bevalling mogen vrouwen geen kerk bezoeken. Een vrouw is immers een dier dat menstrueert. Door in aanraking te komen met haar bloed blijven vruchten onrijp. Mosterd verliest zijn kwaliteit, gras verdroogt en vruchten vallen te vroeg van de bomen. IJzer gaat roesten en de lucht wordt donker. Als honden ervan eten, krijgen ze rabiës” Paucapalea, Summa, Dist. 5, pr. § 1 v.
  • Na een bevalling mogen vrouwen geen communie naar zieken brengen en moeten ze uit de kerk blijven. De reden: “Dit bloed is zo afschuwelijk en onzuiver, zoals Julius Solinus al geschreven heeft in het boek over de wonderen in onze wereld, dat door daarmee in aanraking te komen de rijping van vruchten uitblijft, planten verwelken, het gras afsterft, de vruchten van de bomen vallen, de lucht donker wordt; en als honden ervan eten worden ze aangetast door rabiës... En geslachtelijke gemeenschap tijdens de maandstonden is zeer riskant. En niet alleen vanwege de onzuiverheid van het bloed moet het verlangen bedwongen worden om met een menstruerende vrouw in contact te komen: uit zo’n gemeenschap zou namelijk een bedorven foetus geboren kunnen worden.” Rufinus, Summa Decretorum, passim.
  • Vrouwen mogen geen enkel heilig vat aanraken. De geboorte van een kind brengt een dubbele vloek met zich mee: “Er waren in de (Oude) Wet twee geboden, het ene betrof de moeder die moest bevallen, het andere de bevalling zelf. Met betrekking tot de moeder die moest bevallen gold: wanneer ze het leven geschonken had aan een mannelijk kind, mocht ze, als onreine, veertig dagen lang de tempel niet betreden: want men denkt dat de foetus, die in onreinheid ontvangen wordt, veertig dagen vormloos blijft. Maar als ze het leven schonk aan een kind van het vrouwelijk geslacht, werd de tijdsduur verdubbeld, want het menstruatiebloed dat met de geboorte meekomt, wordt als zo onrein beschouwd, dat, zoals Solinus zegt, bij aanraking ermee vruchten verdrogen en gras verdort. Maar waarom werd de tijd voor een meisje eigenlijk verdubbeld? Antwoord: omdat er op de vrouwelijke vrucht een dubbele vloek rust. Want ze draagt de vloek van Adam en ook de vloek (straf) ‘met smart zult gij kinderen baren’. Of misschien omdat, zoals we door de kennis van artsen weten, vrouwelijke kinderen bij de conceptie tweemaal zo lang vormloos blijven als mannelijke.” Sicardus of Cremona, Mitrale V, hfst. 11.

De vermeende ‘rituele onreinheid’ van vrouwen leidde tot vele verboden in de Kerkelijke Wetgeving

De vermeende mindere waarde van de vrouw is vooral via het Decretum Gratiani (1140) het Kerkelijk Recht binnengedrongen. In 1234 werd dit decreet officieel Kerkelijk Recht, een essentieel deel van het Corpus Iuris Canonici, dat tot 1917 van kracht bleef.

Hieronder volgen enkele voorbeelden van rituele verboden tegen vrouwen onder het Corpus Iuris Canonici (1234 - 1917):

Het belachelijk verbod voor vrouwen om ‘in de kerk te zingen’ werd meer dan eens door de Heilige Congregatie voor de Liturgie herhaald. Meisjes of vrouwen konden van geen enkel kerkkoor lid zijn (decreet van 17 sept. 1897) “Vrouwen dienen geen lid te zijn van een koor; zij behoren tot de stand van de leken. Afzonderlijke vrouwenkoren zijn ook totaal verboden, behalve om ernstige redenen en met verlof van de bisschop” (decreet van 22 nov. 1907). “Elk gemengd koor van mannen en vrouwen, zelfs als ze ver van het priesterkoor af staan, is totaal verboden” (decreet van 18 dec. 1908).

In de Codex Iuris Canonici, afgekondigd in 1917, kwamen de volgende canons voor die gebaseerd waren op de vermeende rituele onreinheid van een vrouw:

Omkeer in 1983?

Het nieuwe Wetboek van Canoniek Recht (1983) bracht vele verbeteringen in de status van de vrouw in de kerk. Terwijl het wetboek het verbod op de wijding van vrouwen handhaaft, en zelfs de bediening van lector en van acoliet aan mannen voorbehoudt, bracht het uiteindelijk toch een ommekeer in de houding van de kerk door te verklaren dat vrouwen ‘krachtens een tijdelijke aanstelling’ deze bedieningen in de kerk kunnen vervullen.

  • Tijdens liturgische plechtigheden kunnen vrouwen optreden als lezer van de Heilige Schrift;
  • misdienaar;
  • commentator tijdens de Eucharistie;
  • verkondiger van het Woord;
  • cantor en zanger, hetzij alleen hetzij als lid van een koor;
  • leider van liturgische diensten;
  • bedienaar van het doopsel;
  • uitdeler van de H. Communie.

Door deze verandering in het Kerkelijk Recht en in haar praktijk, heeft de officiële kerk tenslotte tot op zekere hoogte erkend dat haar vooroordeel tegen vrouwen, dat gebaseerd was op ‘rituele onreinheid’, ongegrond was. Waarom trekken kerkleiders niet de voor de hand liggende conclusie dat hun verbod op de wijding van vrouwen, die op dit en op andere vooroordelen gebaseerd was, volkomen krachteloos is?

In het verleden waren vele kerkvaders, canonisten, theologen en kerkleiders van mening dat vrouwen niet tot priester gewijd konden worden omdat hun maandstonden hen ‘ritueel onrein’ maakten. Als vrouwen het altaar niet mochten naderen, geen altaarlinnen of gewijde vaten aanraken, tijdens hun menstruatie of na een bevalling geen kerk betreden, enzovoort, hoe konden ze zich dan inderdaad een vrouw aan het altaar voorstellen als voorganger bij de Eucharistie? Het valt dus niet te ontkennen dat hun verzet tegen ‘vrouwelijke priesters’ grotendeels berustte op het vooroordeel dat vrouwen een ritueel risico inhielden. Het is duidelijk dat deze sociale en culturele vooringenomenheid hun oordeel met betrekking tot de geschiktheid van vrouwen voor de priesterwijding ontkrachtte.

John Wijngaards

Lees ook: Uta Ranke-Heinemann, ‘Female Blood: The Ancient Taboo and its Christian Consequences’ , uit Eunuchs for Heaven, André Deutsch, Londen 1990, p. 12-17.

Vertaling: Theo van Schaick fic

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten

Vermeld a.u.b. dat dit documentontleend is aan www.womenpriests.org!


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research